**1.** In percelen waar de elektrische installatie door middel van een in de grond gelegde kabel wordt aangesloten, worden voorzieningen getroffen voor het gemakkelijk en gasbelemmerend binnenleiden van deze kabel, waaronder in ieder geval een beschermbuis waarvan de systeembeheerder het materiaal en de afmetingen bepaalt, tenzij de systeembeheerder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dit niet nodig te achten. In het geval een leidinginvoerput wordt aangebracht, voldoet deze aan NEN 2768:2016+A2:2022 “Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen in woningen“.
**2.** In woonhuizen met individuele meting wordt voor het onderbrengen van alle tot de aansluiting en meetinrichting behorende apparatuur een kast ter beschikking gesteld, die voldoet aan de eisen, gesteld in NEN 2768:2016+A2:2022 “Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen in woningen“. In geval de meteropname van buitenaf kan geschieden of het overdrachtspunt van buitenaf bereikbaar is, kan de systeembeheerder ten aanzien van deze kast nadere eisen stellen.
**3.** Bij andere aansluitingen dan bedoeld in het tweede lid wijst de systeembeheerder, na overleg met de aangeslotene, de ter beschikking te stellen ruimten aan voor het onderbrengen van de tot de aansluiting en de meetinrichting behorende apparatuur. De systeembeheerder stelt de eisen vast waaraan deze ruimten moeten voldoen.
**4.** De aangeslotene stelt voor de aansluiting van een tijdelijke installatie een stevige, deugdelijk afsluitbare kast of ruimte ter beschikking aan de systeembeheerder, waarvan de systeembeheerder de afmetingen en constructie bepaalt, voor het opstellen van de tot de aansluiting behorende apparatuur.
Hoofdstuk 2 › § 2.2
Artikel 2.13
Artikel 2.13
Onderdeel van Systeemcode elektriciteit 2026· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026