**1.** In afwijking van artikel 2.19 ligt de arbeidsfactor van een elektriciteitsproductie-eenheid, aangesloten op een middenspanningssysteem of op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV, in het overdrachtspunt tussen 0,98 capacitief en 0,98 inductief.
**2.** De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem is voorzien van een bedrijfsmeting.
**3.** De vereiste nauwkeurigheid voor metingen als bedoeld in het tweede lid is:
klasse 1, indien de elektriciteitsproductie-eenheid is voorzien van een interface als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG); of
klasse 2, in overige gevallen, tenzij anders met de systeembeheerder is overeengekomen.
**4.** De beveiligingen van de elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem zijn selectief ten opzichte van de beveiligingen in het systeem van de systeembeheerder. De aangeslotene is verantwoordelijk voor adequate beveiligingen van de elektriciteitsproductie-eenheid tegen zowel storingen die ontstaan in het systeem als extreme afwijkingen van spanning en frequentie. De systeembeheerder kan verlangen dat hiervan een berekening wordt gemaakt.
**5.** De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem is voorzien van en wordt bedreven met een instelbare automatische spanningsregeling. De systeembeheerder kan op basis van de lokale situatie voor elektriciteitsproductie-eenheid een arbeidsfactor-regeling eisen of toestaan.
**6.** De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een middenspanningssysteem of op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV levert bij verlaagde systeemspanning bij een verlaagde systeemspanning kleiner dan of gelijk aan Un en groter dan of gelijk aan 0,9 Un onbeperkt de maximaal beschikbare hoeveelheid blindvermogen.
**7.** De behandeling van het sterpunt van de elektriciteitsproductie-eenheid, aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem, wordt bepaald door de systeembeheerder in overleg met de beheerder van de elektriciteitsproductie-eenheid.
**8.** In overleg met de systeembeheerder gaat de aangeslotene door berekeningen na of en zo ja door welke maatregelen, de bijdrage aan het kortsluitvermogen door de elektriciteitsproductie-eenheid, aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem, redelijkerwijs kan worden beperkt.
**9.** De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een middenspanningssysteem of op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV is, in aanvulling op artikel 3.11, eerste en zevende lid, in staat om op het systeem aangesloten en in bedrijf te blijven:
gedurende 3 minuten bij een spanning op het overdrachtspunt tussen 0,85 pu en 0,90 pu, waarbij geldt dat het werkzame vermogen mag worden gereduceerd tot 80% van de maximum capaciteit;
overeenkomstig de in artikel 3.11, eerste lid, genoemde perioden
bij een spanning op het overdrachtspunt binnen de spanningsband tussen 0,9 pu en 1,1 pu voor een frequentiebereik van 50 tot 51,5 Hz;
bij een spanning op het overdrachtspunt binnen de spanningsband die lineair verloopt van 0,9 pu en 1,01 pu bij 47,5 Hz tot 0,9 en 1,1 pu bij 50 Hz.
**10.** De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een middenspanningssysteem of op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV is op grond van het negende lid en op grond van artikel 3.11, eerste lid in staat aangesloten en in bedrijf te blijven binnen de in onderstaand diagram weergegeven tijdsperioden, frequentiebereiken en spanningsbanden.
**11.** Indien artikel 3.11, eerste lid, een kortere tijdsperiode toestaat dan het negende en tiende lid, prevaleert artikel 3.11, eerste lid.
**12.** Indien het negende en tiende lid een kortere tijdsperiode toestaat dan artikel 3.11, eerste lid, prevaleert het negende lid.
**13.** De elektriciteitsproductie-eenheid die met gebruikmaking van de vrijstellingen voor productie als bedoeld in artikel 3.5, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.6, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.7, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.7, onderdeel b, subonderdeel 2°, artikel 3.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° en artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, van het Energiebesluit is aangesloten op een hoogspanningssysteem of op het onderliggende middenspanningssysteem dient voldoende snel en selectief afgeschakeld of afgeregeld te kunnen worden, in een uitvalsituatie als bedoeld in de hiervoor genoemde onderdelen van het Energiebesluit. Aan deze eis is voldaan indien:
de systeembeheerder de elektriciteitsproductie-eenheid kan afschakelen of afregelen door middel van een aan te bieden signaal op of in de nabijheid van het overdrachtspunt van de aansluiting;
de systeembeheerder en de aangeslotene overeenkomstig artikel 9.35, vijfde lid, overeenkomen dat de systeembeheerder de aansluiting afschakelt of afregelt; of
de systeembeheerder en de aangeslotene overeenkomstig artikel 9.35, derde lid, overeenkomen dat voor het afschakelen of afregelen gebruik gemaakt kan worden van de in artikel 13, zesde lid, en artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) bedoelde interface of de in artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) bedoelde regelbaarheid.
Hoofdstuk 3 › § 3.3
Artikel 3.13
Artikel 3.13
Onderdeel van Systeemcode elektriciteit 2026· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026