• - 1. Voor de vaststelling van de vermogensinstellingen moet de elektriciteitsproductie-eenheid gedurende twee aaneengesloten uren het maximum-netto-vermogen leveren. Het gedurende deze periode geleverde netto vermogen wordt op vijf minuten-basis geregistreerd en vervolgens per half uur gemiddeld. De kleinste waarde van de halfuur-waarden is bepalend voor de vermogensinstellingen voor de hieronder vermelde sprongproeven.
  • - 2. De onder 2a. en 2b. beschreven proeven worden uitgevoerd zonder dode band.
  • - 2a. Bij één, in overleg met de transmissiesysteembeheerder vastgesteld, vermogenspunt tussen minimum-netto-vermogen en maximum-netto-vermogen moet in 30 seconden een vermogensafname van 5% van het maximum-netto-vermogen gerealiseerd worden bij een ingestelde statiek van 8% en een gesimuleerde frequentieverstoring van +200 mHz.
  • - 2b. Bij het onder 2a. vermelde vermogenspunt moet in 30 seconden een vermogenstoename van 5% van het maximum-netto-vermogen gerealiseerd worden bij een ingestelde statiek van 8% en een gesimuleerde frequentieverstoring van -200 mHz.
  • - 2c. Bij het onder 2a. vermelde vermogenspunt moet een gelijkmatig verlopende productieafname van 5% van het maximum-netto-vermogen gerealiseerd worden bij een ingestelde statiek van 8% en een gesimuleerde gelijkmatig toenemende frequentieverstoring van 0 mHz naar +200 mHz in 2 minuten. De vermogensafname moet een lineair verloop hebben en binnen 2,5 minuten volledig gerealiseerd zijn (30 seconden na-ijlend op gesimuleerde frequentieverloop).
  • - 2d. Bij het onder 2a. vermelde vermogenspunt moet een gelijkmatig verlopende productietoename van 5% van het maximum-netto-vermogen gerealiseerd worden bij een ingestelde statiek van 8% en een gesimuleerde gelijkmatig afnemende frequentieverstoring van 0 mHz naar -200 mHz in 2 minuten. De vermogenstoename moet een lineair verloop hebben en binnen 2,5 minuten volledig gerealiseerd zijn (30 seconden na-ijlend op gesimuleerde frequentieverloop).
  • - 3. De vermogenswijzigingen moeten worden bewerkstelligd via de regeling van de frequentiebegrenzingsreserves. Hiertoe zal een signaal dat overeenkomt met de vereiste frequentieverandering in het regelsysteem ingevoerd worden.
  • - 4. Na elke proef dient de elektriciteitsproductie-eenheid gedurende tenminste 15 minuten het tijdens de sprong bereikte aangepaste vermogen te leveren.
  • - 5. De proeven moeten worden uitgevoerd met alle generatoren in bedrijf.
  • - 6. De proeven worden onder toezicht van een door de transmissiesysteembeheerder aangewezen onafhankelijke instantie uitgevoerd. Deze instantie brengt aan de transmissiesysteembeheerder verslag uit over de beproevingsresultaten.
  • - 7. In het verslag worden ten minste vermeld:
    • - – het maximum-netto-vermogen, herleid naar nominale omgevingscondities;
    • - – de vermogensinstellingen waarbij de proeven zijn uitgevoerd, herleid naar nominale condities;
    • - – de ingegeven frequentieverstoring;
    • - – de procentuele vermogenstoename na 15 respectievelijk 30 seconden.
  • - 8. De transmissiesysteembeheerder beoordeelt de beproevingsresultaten en zendt de beoordeling tezamen met het beproevingsverslag aan de betrokken aangeslotene.
  • - 1. De elektriciteitsproductie-eenheid moet bij 85% van de nominale eigenbedrijfsspanning gedurende 15 minuten (of korter in het geval dat de elektriciteitsproductie-eenheid is voorzien van een automatisch geregelde eigen bedrijfstransformator) het vastgestelde maximum-netto-vermogen, bedoeld onder I.1, leveren bij de toegekende arbeidsfactor.
  • - 2. Aan de transmissiesysteembeheerder worden gerapporteerd:
    • - – tijdstip van aanvang en beëindiging;
    • - – spanning eigen bedrijfsrail als functie van de tijd;
    • - – netto vermogen als functie van de tijd.
  • - 1. Bij levering van tenminste 80% van het vastgestelde maximum-netto-vermogen, bedoeld onder I.1, bij de arbeidsfactor die is overeengekomen met de systeembeheerder op wiens systeem de elektriciteitsproductie-eenheid is aangesloten, wordt de hoofdschakelaar van de eigen bedrijfsinstallatie geopend.
  • - 2. Na een periode van tenminste 1,5 seconden, ingaande op het moment dat de restspanning op de hoofdrails van het eigen bedrijf lager is dan 70% van de nominale waarde, wordt de schakelaar weer gesloten. Gedurende deze tijd mag de elektriciteitsproductie-eenheid niet door de beveiliging van het eigen bedrijf van het systeem worden gescheiden of tot stilstand komen.
  • - 3. De onder 2. genoemde tijd van 1,5 seconde is een sommatie van:
    • - – de maximale kortsluitduur (300 ms);
    • - – hersteltijd van de netspanning tot 85% na afschakeling van de kortsluiting;
    • - – detectietijd van het minimum-spanningsrelais bij terugkerende spanning;
    • - – tijdvertraging minimum spanningsrelais;
    • - – schakeltijd van de schakelaar waarmee de elektriciteitsproductie-eenheid van het systeem wordt gescheiden;
    • - – hersteltijd van de generatorspanning.
  • - 4. Aan de transmissiesysteembeheerder worden gerapporteerd:
    • - – tijdstip van aanvang en beëindiging.
    • - – spanning eigen bedrijfsrail als functie van de tijd.
    • - – netto vermogen als functie van de tijd.
  • - 1. Bij levering van tenminste 85% van het onder vastgestelde maximum-netto-vermogen, bedoeld onder I.1, bij de toegekende arbeidsfactor, wordt de elektriciteitsproductie-eenheid met de schakelaar van het systeem gescheiden. Na één uur wordt de elektriciteitsproductie-eenheid parallel geschakeld met het systeem. Vervolgens dient de elektriciteitsproductie-eenheid na 30 minuten gedurende 1 uur stabiel minimum-vermogen aan het systeem te kunnen leveren.
  • - 2. Aan de transmissiesysteembeheerder worden gerapporteerd:
    • - – tijdstip openen schakelaar;
    • - – netto-vermogen als functie van de tijd;
    • - – tijdstip synchronisatie per generator.
  • - 1. Aan de transmissiesysteembeheerder worden in aanvulling op de onder II.2, III.4 en IV.2 genoemde gegevens tevens gerapporteerd:
    • - – elektrisch schema eigen bedrijfsinstallatie;
    • - – datum dan wel data van uitvoering:
    • - – beschrijving van de bedrijfssituatie voorafgaand aan de proeven;
    • - – beschrijving van de uitvoering;
    • - – overzicht van de schakelhandelingen;
    • - – totaal opgenomen vermogen van het eigen bedrijf voor, na en tijdens de proeven;
    • - – overzicht van de belangrijkste in bedrijf zijnde installaties van het eigen bedrijf (>100 kVA).