De distributiesysteembeheerder voert voor zijn systeemgebieden de allocatie op uurbasis uit, op de wijze zoals in dit hoofdstuk is weergegeven.
Op aansluitingen, van een verbruiker of een invoeder die zijn verbonden met een systeemgebied is slechts één balanceerverantwoordelijke toegestaan.
Op exitpunten waar het transmissiesysteem is verbonden met een systeemgebied zijn meerdere balanceerverantwoordelijken toegestaan.
Een directe koppeling van een systeemgebied van een distributiesysteembeheerder met een systeemgebied van een andere distributiesysteembeheerder kan een betrouwbare uitkomst van het allocatieproces belemmeren. De distributiesysteembeheerders melden in dat kader in voorkomende gevallen het bestaan van de koppeling aan de transmissiesysteembeheerder, waarna de karakteristieken van de koppeling (waaronder geografische plaats en capaciteit) zullen worden vastgelegd in een Systeemverbindingsovereenkomst tussen de transmissiesysteembeheerder en de desbetreffende distributiesysteembeheerders.
Op de systeemkoppeling van de systeemgebieden is een dagelijks op afstand uitleesbare meetinrichting. Deze meetinrichting wordt door één van de betrokken distributiesysteembeheerders beheerd.
De distributiesysteembeheerder die de meetinrichting beheert, verstrekt aan de transmissiesysteembeheerder uiterlijk op de eerste werkdag na afloop van de dag of de maand de per uur door de systeemkoppeling gestroomde hoeveelheid gas. Voor zover van toepassing verwerkt de distributiesysteembeheerder de hoeveelheid restenergie (van het koppelingspunt) in de aan de transmissiesysteembeheerder verstrekte uurhoeveelheid. De transmissiesysteembeheerder zal de ingevolge 4.1.3 van deze code aan de betrokken distributiesysteembeheerders te verstrekken hoeveelheid gas voor de betreffende systeemgebieden met de opgegeven hoeveelheid verrekenen.
De transmissiesysteembeheerder zorgt ervoor dat de gegevens, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de near-real-time allocatie op exitpunten waar het transmissiesysteem is verbonden met een distributiesysteem, uiterlijk vijf minuten na afloop van het uur in het Centraal Systeem Stuursignaal beschikbaar zijn.
In geval twee systeemgebieden beheerd door twee distributiesysteembeheerders gekoppeld zijn, zoals toegelicht in 4.0a.1, 4.0a.2, 4.0a.3. en de hoeveelheid gas op jaarbasis 1.000.000 m3(n;35.17) of 10% van het betrokken systeemgebied waarover de laagste hoeveelheid zorgt de distributiesysteembeheerder die de meetinrichting beheert dat de gegevens, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de near-real-time allocatie op systeemkoppelingen waar het transmissiesysteem is verbonden met een systeemgebied, uiterlijk vijf minuten na afloop van het uur in het Centraal Systeem Stuursignaal beschikbaar zijn.
De transmissiesysteembeheerder verstrekt de gegevens, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de maandelijkse allocatie, uiterlijk de vierde werkdag na afloop van de maand om 07.00 uur aan de distributiesysteembeheerder door middel van het bericht ‘MINFO’. Deze gegevens worden beschouwd als zijnde definitieve gegevens.
Voor elk relevant systeemgebied worden voor elk uur van de betreffende periode de volgende gegevens verstrekt:
de gemeten hoeveelheid gas (uitgedrukt in MJ)
de calorische bovenwaarde van het gas
de voor de allocatie relevante gegevens betreffende de gaskwaliteit.
de restenergie conform paragraaf 4.5.
Uiterlijk de zesde werkdag na afloop van de maand verstrekt de distributiesysteembeheerder aan de beheerder van een op zijn systeem aangesloten gesloten systeem die heeft aangegeven gebruik te willen maken van de in deze code genoemde berichten, voor elk uur van de betreffende periode de te gebruiken calorische bovenwaarde.
De distributiesysteembeheerder gebruikt hiervoor de calorische waarde die hij heeft ontvangen van de transmissiesysteembeheerder of, indien van toepassing, de waarde die hij conform 4.1b.11 heeft berekend.
Als een distributiesysteembeheerder niet alleen gas ontvangt vanuit het transmissiesysteem, maar daarnaast ook invoeding via aansluitingen met de aansluitingcategorie GIS of GIN, zal de distributiesysteembeheerder hiermee rekening moeten houden bij de verbruiksbepaling en de allocatie.
Het gas dat wordt ingevoed via aansluitingen met de aansluitingcategorie GIS of, GIN wordt toegekend aan de balanceringsverantwoordelijke voor de betreffende aansluiting en kan verhandeld worden als ware het gas ingevoed in het transmissiesysteem.
De distributiesysteembeheerder registreert de balanceringsverantwoordelijke(n) waarvoor het gas op de verbindingspunten met de andere transportsystemen e.d. wordt ontvangen.
De distributiesysteembeheerder bepaalt de totale hoeveelheid energie per uur van een systeemgebied door de invoeding via aansluitingen met de aansluitingcategorie GIS of GIN op te tellen bij de gashoeveelheid uit het transmissiesysteem (uitgedrukt in MJ).
In het Centraal-Systeem-Stuursignaal wordt het near-real-time allocatieproces, zoals beschreven in bijlage 2a (Het near-real-time allocatieproces in het Centraal-Systeem-Stuursignaal) ongewijzigd uitgevoerd, waarbij meetwaarden voor aansluitingen met de aansluitingcategorie GIS of GIN als negatieve waarden in de allocatie berekening worden meegenomen, nadat eerst het totale verbruik van het systeemgebied is bepaald door de ingevoede hoeveelheid die niet afkomstig is uit het transmissiesysteem op te tellen bij de gashoeveelheid uit het transmissiesysteem (uitgedrukt in MJ).
De distributiesysteembeheerder alloceert de gemeten hoeveelheid op de verbindingspunten met andere transportsystemen en dergelijke aan de betrokken balanceringsverantwoordelijke(n). De transmissiesysteembeheerder beschouwt deze allocaties als allocatie op een virtueel entrypunt.
Gas dat wordt ingevoed op een systeemgebied, wordt in beginsel toegerekend met de werkelijke gemeten calorische waarde van het ingevoede gas.
Indien de calorische waarde op de aansluiting van de invoedingsinstallatie niet conform hoofdstuk 3 van de Meetcode gas LNB wordt gemeten, of de gegevens niet conform 6.4.2.17 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas.zijn verzonden, wordt in afwijking van 4.1b.7 gas dat wordt ingevoed op een systeemgebied aan de (balanceringsverantwoordelijke van de) invoeder toegerekend met de calorische waarde 34,11 MJ/m3(n).
Indien 3.1a.8 van de Aansluit- en transportcode gas DSB van toepassing is, zal in afwijking van 4.1b.7 en 4.1b.8 het gas dat wordt ingevoed op een systeemgebied aan de (balanceringsverantwoordelijke van de) invoeder worden toegerekend met de actuele calorische uurwaarde van het gas dat vanuit het transmissiesysteem in het desbetreffende systeemgebied wordt ingevoed.
Indien 4.1b.9 wordt toegepast, overlegt de invoeder aan de distributiesysteembeheerder jaarlijks een rapport van de gerealiseerde calorische waarden per uur.
Gas dat door verbruikers wordt afgenomen in een systeemgebied wordt aan (de balanceringsverantwoordelijken van) deze verbruikers toegerekend met de gewogen gemiddelde calorische waarde voor het desbetreffende systeemgebied, bepaald op basis van de hoeveelheden en calorische waarden volgens paragraaf 4.1 en de informatie en gegevens als bedoeld in 4.1b.7 tot en met 4.1b.9.
De distributiesysteembeheerder voert voor elk relevant systeemgebied de offline allocatie uit. Daarvoor bepaalt de distributiesysteembeheerder voor elke aangeslotene via welk systeemgebied het gas voor de verbruiker in het distributiesysteem van de distributiesysteembeheerder wordt gevoed en legt dit vast in het aansluitingenregister. Ten behoeve van de near-real-time allocatie zorgt de distributiesysteembeheerder ervoor dat deze informatie ook dagelijks beschikbaar is in het Centraal Systeem Stuursignaal.
Met behulp van het Centraal Systeem Stuursignaal wordt voor elk relevant systeemgebied de near-real-time allocatie uitgevoerd.
Bij het uitvoeren van de allocatie zorgt de distributiesysteembeheerder ervoor dat de som van de verstrekte allocaties van een systeemgebied voor elk uur gelijk is aan de op het systeemgebied gemeten hoeveelheid gas van het desbetreffende uur.
De distributiesysteembeheerder stelt de allocatiegegevens per systeemgebied vast op grond van gegevens van de aangeslotenen op zijn systeem. De distributiesysteembeheerder voert voor elk uur van de maand de allocatie uit.
De distributiesysteembeheerder is gehouden de samengestelde allocatiegegevens uitsluitend toe te wijzen aan tot het transmissiesysteem toegelaten balanceringsverantwoordelijken met erkenning LB.
Als de transmissiesysteembeheerder constateert dat (een gedeelte van) de door een distributiesysteembeheerder samengestelde allocatiegegevens zijn toegewezen aan niet- balanceringsverantwoordelijken of aan balanceringsverantwoordelijken zonder erkenning LB, zal de transmissiesysteembeheerder de betreffende distributiesysteembeheerder hierop wijzen en in de gelegenheid stellen de verstrekte gegevens te corrigeren.
Indien de distributiesysteembeheerder de correctie niet binnen de in 2.6.1 gestelde termijn uitvoert, of indien, na correctie, de verstrekte allocatiegegevens nog niet voldoen aan het in hiervoor gestelde, zal de transmissiesysteembeheerder de distributiesysteembeheerder voor de desbetreffende allocatie beschouwen als een levering aan de distributiesysteembeheerder en derhalve de geleverde transportdienst volgens de standaard voorwaarden factureren aan de distributiesysteembeheerder, tenzij dit niet aan de distributiesysteembeheerder kan worden toegerekend.
Als eerste stap wordt door de distributiesysteembeheerder de allocatie op grond van de telemetrieverbruikaansluitingen uitgevoerd. Voor elke aangeslotene is in het aansluitingenregister vastgelegd aan welke balanceringsverantwoordelijken en aan welke leverancier(s) de vastgestelde uurhoeveelheid moet worden toegewezen.
Als tweede stap worden de allocaties op grond van de telemetrieverbruikaansluitingen gesommeerd per balanceringsverantwoordelijke/leverancier combinatie per aansluitingcategorie.
De distributiesysteembeheerder stelt, als derde stap, het systeemverliezen vast op de waarde die conform 4.9.3 is berekend voor het desbetreffende uur.
De distributiesysteembeheerder berekent, als vierde stap, de totale afgenomen uurhoeveelheid energie voor het collectief van de profielverbruikers. Daartoe trekt de distributiesysteembeheerder de som van de in de tweede stap bepaalde allocaties en het in de derde stap bepaalde systeemverliezen af van de totale hoeveelheid energie op het systeemgebied in het desbetreffende uur.
De vijfde stap betreft het uitvoeren van de allocatie voor de profielverbruikers. De basis hiervoor wordt gevormd door de conform de verbruiksprofielenmethodiek uitgevoerde berekeningen. Voor elke balanceringsverantwoordelijke/leverancier combinatie berekent de distributiesysteembeheerder per aansluitingcategorie het ‘veronderstelde geprofileerd verbruik’ (VGVBV,LE,PC, systeemgebied) (zie bijlage 3 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas).
De meetcorrectiefactor (MCF) voor het desbetreffende systeemgebied wordt berekend door het ingevolge 4.4.7 berekende ‘totaal profielverbruikers‘ te delen door de som van het ‘veronderstelde geprofileerde verbruik’:
MCFsysteemgebied = totaal profielverbruikers / ΣVGVsysteemgebied
waarin:
ΣVGVsysteemgebied = de som van het veronderstelde geprofileerde verbruik van alle balanceringsverantwoordelijke/leverancier combinaties op het systeemgebied.
De meetcorrectiefactor moet ten behoeve van toekomstig gebruik (bijvoorbeeld bij het reconciliatieproces) worden opgeslagen als variabele met zoveel mogelijk cijfers achter de komma (‘single precision floating point’).
Voor elke balanceringsverantwoordelijke/leverancier combinatie per aansluitingcategorie wordt het gecorrigeerde geprofileerde verbruik (GGV), uitgedrukt in MJ, berekend:
GGVBV;LE,AC,systeemgebied = MCFsysteemgebied × VGVBV;LE,AC,systeemgebied,
waarin:
GGVBV;LE,AC,systeemgebied = het gecorrigeerde geprofileerde verbruik voor de desbetreffende balanceringsverantwoordelijke/leverancier combinatie en aansluitingcategorie
VGVBV;LE,AC,systeemgebied = het veronderstelde geprofileerde verbruik voor de desbetreffende balanceringsverantwoordelijke/leverancier combinatie en aansluitingcategorie, uitgedrukt in MJ.
De beheerder van het gesloten systeem voert voor zijn systeem de allocatie voor elk uur van de maand uit.
Als eerste stap alloceert de beheerder van het gesloten systeem de bepaalde hoeveelheid energie op de aansluiting van zijn gesloten systeem en het systeemgebied als negatieve hoeveelheid aan de balanceringsverantwoordelijke en leverancier van de beheerder van het gesloten systeem
Als tweede stap wordt door de beheerder van het gesloten systeem de allocatie op grond van de telemetrieverbruikaansluitingen uitgevoerd. Voor elke aansluiting is in zijn aansluitingenregister vastgelegd aan welke balanceringsverantwoordelijken en aan welke leverancier(s) en aansluitingcategorie de bepaalde uurhoeveelheid moet worden toegewezen.
Als derde stap worden de allocaties op grond van de telemetrieverbruikaansluitingen gesommeerd per balanceringsverantwoordelijke/leverancier-combinatie per aansluitingcategorie.
Als vierde stap berekent de beheerder van het gesloten systeem het niet toegewezen volume op zijn systeem door de allocaties van de tweede en de derde stap af te trekken van de gemeten hoeveelheid energie op het overdrachtspunt tussen zijn gesloten systeem en het systeemgebied. Dit niet toegewezen volume wordt toegewezen aan de balanceringsverantwoordelijke en leverancier van de beheerder van het gesloten systeem.
De restenergie wordt vastgesteld conform de Meetcode gas LNB.
De wijze waarop de restenergie zal worden verwerkt in de allocatiegegevens is uitgewerkt in bijlage 3 (Verwerken van restenergie).
In geval van de near-real-time allocatie wordt de restenergie op nul gesteld.
Verschillen tussen near-real-time allocaties en de offline allocaties worden verrekend via het settlement proces conform 4.1.6 van de Transportcode gas TSB. Het portfolio- onbalanssignaal en het systeembalanssignaal worden niet opnieuw berekend naar aanleiding van offline allocaties.
Indien de transmissiesysteembeheerder binnen drie maanden nadat de gegevens conform 4.1.2 verstuurd zijn, constateert dat een conform 4.1.2 en 4.1.3 aan de distributiesysteembeheerder beschikbaar gestelde uurhoeveelheid voor een systeemgebied of een hoeveelheid restenergie op een systeemgebied onjuist is, verstrekt de transmissiesysteembeheerder na overleg met de distributiesysteembeheerder aangepaste gegevens conform 4.1.2 en 4.1.3.
Indien een distributiesysteembeheerder binnen 80 dagen nadat de gegevens conform 2.5.1 verstuurd zijn, vaststelt dat een door hem samengesteld allocatiegegeven onjuist is, zal de daaruit voortvloeiende correctie worden uitgevoerd in het allocatieproces conform 2.6.1.
Balanceringsverantwoordelijken en leveranciers zijn gehouden de conform de 2.4.1 en 2.5.1 door de distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder verstrekte gegevens bij ontvangst te controleren op plausibiliteit en eventuele vermeende fouten zo spoedig mogelijk, doch in elk geval vijf werkdagen vóór de verstrekking van nieuwe gegevens conform respectievelijk 2.4.1, 2.5.1 en 2.6.1, te melden bij de distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder en, in geval van vermeende fouten in de meting, bij de partij die de meting verricht, opdat deze fouten gecorrigeerd kunnen worden vóór de verstrekking van nieuwe gegevens conform respectievelijk 2.4.1, 2.5.1 en 2.6.1.
Indien een distributiesysteembeheerder vaststelt dat een door hem samengesteld allocatiegegeven, dat betrekking heeft op (een uur van) een maand binnen de reconciliatieperiode, onjuist is, zal de daaruit voortvloeiende correctie (de zogenaamde correctie- energie) worden uitgevoerd in het reconciliatieproces. Deze correcties kunnen alleen worden uitgevoerd ingeval de correctie betrekking heeft op een binnen de reconciliatieperiode vallende periode.
De wijze waarop de correctie-energie zal worden verwerkt in de reconciliatiegegevens is uitgewerkt in bijlage 4 (Verwerken van correctie-energie).
De allocatieregels richten zich op de normale omstandigheden. Een strikte toepassing van de regels kan in bijzondere omstandigheden leiden tot onbetrouwbare uitkomsten van het allocatieproces. Een aantal van deze bijzondere situaties, inclusief de te volgen werkwijze bij de allocatie, zijn beschreven in deze paragraaf. In overige uitzonderingssituaties, indien deze het allocatieproces dreigen te verstoren, beslist de distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder, na overleg met betrokkenen.
Slechts één aangeslotene achter het overdrachtspunt: In het uitzonderlijke geval dat er in het distributiesysteem van een distributiesysteembeheerder slechts één aangeslotene is aangesloten op een systeemgebied en deze aangeslotene niet beschikt over een dagelijks of uurlijks op afstand uitleesbare meetinrichting, zal de distributiesysteembeheerder de ingevolge 4.1.3 van de Allocatiecode systeembeheerders gas door de transmissiesysteembeheerder beschikbare gestelde meetgegevens van het systeemgebied gebruiken ten behoeve van de allocatie op grond van deze aangeslotene.
Negatieve uitkomst allocatie: Voor profielverbruikers kan zich de uitzonderingssituatie voordoen dat de allocatie een negatieve hoeveelheid oplevert. De betreffende distributiesysteembeheerder stelt deze negatieve allocatie ongewijzigd ter beschikking aan de transmissiesysteembeheerder. De transmissiesysteembeheerder en de distributiesysteembeheerder streven ernaar negatieve allocaties zo weinig mogelijk te laten voorkomen.
Geen profielverbruikers in een systeemgebied: Indien uitsluitend telemetrieverbruikaansluitingen in het systeemgebied aanwezig zijn en voor het systeemgebied de gesommeerde allocatie voor een uur ongelijk is aan de ingevolge 4.1.3 van de Allocatiecode systeembeheerders gas voor dat uur beschikbaar gestelde hoeveelheid gas, dient de distributiesysteembeheerder dit feit vóór de verstrekking van de allocatiegegevens te melden bij de transmissiesysteembeheerder en zal in overleg tussen de transmissiesysteembeheerder en de betreffende distributiesysteembeheerder, met in achtneming van de belangen van de betrokkenen, een passende oplossing worden gezocht.
Allocatie bij pieklevering: In de situatie dat daadwerkelijk pieklevering plaatsvindt, worden de allocaties met aansluitingcategorie G1A en G2A van een balanceringsverantwoordelijke op de systeemverbindingen tussen het transmissiesysteem en een systeemgebied in twee delen opgesplitst, waarbij de hoeveelheid voor een uur die kleiner is dan de gesommeerde vastgestelde exitcapaciteit ten behoeve van kleinverbruikers van de betreffende balanceringsverantwoordelijke aan de betreffende balanceringsverantwoordelijke wordt toegekend en het meerdere aan de transmissiesysteembeheerder.
De in 4.7.5 genoemde splitsing zal door de transmissiesysteembeheerder in de near-real-time allocatie worden verwerkt.
De in 4.7.5 genoemde splitsing zal niet door de distributiesysteembeheerder in de maandelijkse allocaties en het bijbehorende berichtenverkeer (“LALL”) worden verwerkt. De transmissiesysteembeheerder zal de splitsing na ontvangst van de allocaties aanbrengen in de gesommeerde allocaties.
De distributiesysteembeheerder verzendt voor elk systeemgebied de berekende meetcorrectiefactor aan de transmissiesysteembeheerder, betreffende balanceringsverantwoordelijken en leveranciers, middels het bericht ‘CINFO’.
De distributiesysteembeheerder respectievelijk de beheerder van een gesloten systeem die gebruik wil maken van de berichten genoemd in deze code, verzendt de gesommeerde allocaties voor elke voorkomende combinatie van balanceringsverantwoordelijken, leverancier en aansluitingcategorie aan de transmissiesysteembeheerder, betreffende balanceringsverantwoordelijken en leveranciers middels het bericht ‘LALL’.
De transmissiesysteembeheerder verstrekt de allocatiegegevens door middel van berichten aan de desbetreffende balanceringsverantwoordelijken en leveranciers, samengesteld op grond van de op het transmissiesysteem aangesloten verbruikers middels het bericht 'LALL'.
De distributiesysteembeheerder respectievelijk de beheerder van een gesloten systeem die gebruik wil maken van de berichten genoemd in deze code verzendt voor elke telemetrieaansluiting de gealloceerde uurhoeveelheid aan de desbetreffende leverancier middels het bericht ‘BALL’
Bij een verbruiker met een aansluiting op het transmissiesysteem verzendt de transmissiesysteembeheerder die gebruik wil maken van de berichten genoemd in deze code verzendt voor elke aansluiting de gealloceerde uurhoeveelheid aan de desbetreffende leverancier middels het bericht ‘BALL’
Ten behoeve van de allocatie van de systeemverliezen, berekent de distributiesysteembeheerder jaarlijks voor 1 oktober per systeemgebied de te alloceren systeemverliezen per uur voor het daaropvolgende kalenderjaar.
Uiterlijk op de vijfde werkdag in oktober publiceert de distributiesysteembeheerder de te alloceren systeemverliezen, bedoeld in het eerste lid, op elektronische wijze op een publiek toegankelijke plaats.
Bij de berekening, bedoeld in het eerste lid, volgt de distributiesysteembeheerder achtereenvolgens de volgende stappen.
De distributiesysteembeheerder berekent per systeemgebied voor elke maand van het eerstvolgende kalenderjaar de gemiddelde gerealiseerde systeemverliezen per maand van de drie meest recente volledig gereconcilieerde kalenderjaren.
Met de gemiddelde gerealiseerde systeemverliezen als bedoeld in onderdeel a berekent de distributiesysteembeheerder voor zijn gehele verzorgingsgebied:
de som van de systeemverliezen per maand;
de som van de systeemverliezen per jaar;
de som van de systeemverliezen per jaar voor zover de som van de systeemverliezen per maand bedoeld in sub 1° positief is.
De distributiesysteembeheerder berekent een jaarcorrectiefactor door de som van de systeemverliezen per jaar bedoeld in onderdeel b, sub 2° te delen door de som van het systeemverlies per jaar bedoeld in onderdeel b, sub 3°.
Indien de som van de systeemverliezen per maand bedoeld in onderdeel b, sub 1° negatief is, stelt de distributiesysteembeheerder de te alloceren systeemverliezen voor die maand in alle systeemgebieden gelijk aan nul.
Per maand, per systeemgebied waarvan de distributiesysteembeheerder de systeemverliezen niet gelijk heeft gesteld aan nul op grond van onderdeel d, berekent de distributiesysteem beheerder de gecorrigeerd systeemverliezen door de gemiddelde gerealiseerde systeemverliezen per maand, bedoeld in onderdeel a, te vermenigvuldigen met de jaarcorrectiefactor.
Met de gecorrigeerde systeemverliezen bedoeld in onderdeel e berekent de distributiesysteembeheerder voor het voor de distributiesysteembeheerder krachtens 3.37, eerste lid, van de Energiewet, vastgestelde gebied:
de som van de gecorrigeerde systeemverliezen per maand;
de som van de gecorrigeerde systeemverliezen per maand voor zover de gecorrigeerde systeemverliezen positief is.
De distributiesysteembeheerder berekent per maand een maandcorrectiefactor door de som van het gecorrigeerde systeemverlies bedoeld in onderdeel f, sub 1° te delen door de som van de gecorrigeerde systeemverliezen bedoeld in onderdeel f, sub 2°.
Voor elke maand waarin de gecorrigeerde systeemverliezen, bedoeld in onderdeel e, negatief is, stelt de distributiesysteembeheerder de te alloceren systeemverliezen gelijk aan nul.
Voor de maanden waarin de gecorrigeerde systeemverliezen niet gelijk is gesteld aan nul op grond van onderdeel h, berekent de distributiesysteembeheerder de te alloceren systeemverliezen per maand per systeemgebied door de gecorrigeerde systeemverliezen, bedoeld in onderdeel e, te vermenigvuldigen met de maandcorrectiefactor.
De distributiesysteembeheerder berekent voorts de te alloceren systeemverliezen per systeemgebied, per uur door de te alloceren systeemverliezen per maand, zoals berekend op basis van de voorgaande stappen te vermenigvuldigen met het quotiënt van de profielfractie van het G2C-profiel bij standaardtemperatuur van het betreffende uur en de som van dezelfde profielfracties van de betreffende gasmaand.
Artikel 4
Het allocatieproces voor systeemgebieden
Onderdeel van Allocatiecode systeembeheerders gas· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 21 februari 2026