De BOR geldt als er ondernemingsvermogen wordt verkregen en aan de voorwaarden wordt voldaan. In dit onderdeel wordt ingegaan op het begrip ondernemingsvermogen.
De BOR is niet van toepassing op de verkrijging van aandelen in een BV die geen onderneming drijft, zoals een beleggings-BV (artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, Successiewet). Dit geldt ook als de beleggings-BV een pand verhuurt aan een BV van dezelfde erflater of schenker, die zelf wel een materiële onderneming drijft.
Natuurlijk persoon A is 100% aandeelhouder van de besloten vennootschappen BV B en BV C. De enige bezitting van BV C bestaat uit een onroerende zaak die BV C verhuurt aan BV B. BV B oefent een materiële onderneming uit in die onroerende zaak. A schenkt de aandelen van beide vennootschappen aan natuurlijk persoon D. De BOR ziet niet op de aandelen in BV C. BV C oefent geen onderneming uit maar is een beleggingsvennootschap.
De BOR is niet van toepassing als de onderneming wordt overgedragen tegen een koopsom die geheel of gedeeltelijk wordt kwijtgescholden. In dat geval bestaat de verkrijging (de schenking) niet uit een onderneming, maar uit de kwijtschelding van een vordering. Onder deze omstandigheden leidt het niet kunnen toepassen van de BOR tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat bij een kwijtschelding die onmiddellijk volgt op de overdracht van ondernemingsvermogen, voor de BOR kan worden aangenomen dat het ondernemingsvermogen het object van schenking is. Bij een gefaseerde kwijtschelding geldt de goedkeuring niet voor de tweede of volgende kwijtschelding.
De BOR kan ook van toepassing zijn op ondernemingsvermogen dat krachtens fictie wordt verkregen.1Kamerstukken II, 2008–2009, 31 930, nr. 9, p. 106: ‘Uiteraard is voor een fictieve verkrijging op grond van artikel 10, zoals op iedere fictieve verkrijging van ondernemingsvermogen – de leden van de CDA-fractie vragen daarnaar – een beroep op de faciliteiten van de bedrijfsopvolgingsregeling mogelijk.’ Bij een dergelijke fictieve verkrijging gelden voor de BOR dezelfde voorwaarden als bij een verkrijging krachtens erfrecht of schenking.
Ter toelichting een voorbeeld van een fictieve verkrijging krachtens een verblijvingsbeding, waarbij de BOR van toepassing kan zijn.
Een vader is vennoot in een vennootschap onder firma met zijn zoon. Het firmacontract bepaalt dat wanneer vader de hoedanigheid van vennoot opgeeft of verliest, zijn aandeel verblijft aan de zoon, die daarvoor de boekwaarde van het aandeel van zijn vader moet vergoeden. De BOR kan worden toegepast als vader bij leven zijn firma-aandeel overdraagt, of als de firma eindigt door het overlijden van vader. Zowel bij de verkrijging bij leven als bij overlijden is de BOR van toepassing op de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen zonder dat daarop de tegenprestatie in mindering komt (artikel 35b, vierde lid, Successiewet).
Als een schenker binnen 180 dagen na de schenking overlijdt is sprake van een fictieve verkrijging krachtens erfrecht op grond van artikel 12, eerste lid, Successiewet. Erflater (de schenker) voldoet bij deze verkrijging niet aan de bezitseis, aangezien het ondernemingsvermogen vanaf het moment van de schenking van de begiftigde is. Met ingang van 1 januari 2026 is in artikel 9, eerste lid, onderdeel j, Uitvoeringsregeling een tegemoetkoming opgenomen voor een dergelijke schenking van ondernemingsvermogen. Door deze tegemoetkoming kan de BOR in een dergelijke situatie van toepassing zijn als ten tijde van de schenking de schenker aan de bezitseis voldoet.
Op fictieve verkrijgingen krachtens artikel 13a Successiewet is de BOR niet van toepassing, omdat dan geen ondernemingsvermogen van de erflater of schenker naar de verkrijger overgaat.2Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:360. De fictieve verkrijging betreft namelijk aandelen of winstbewijzen die door een ander dan erflater worden gehouden. Deze aandelen of winstbewijzen worden in de heffing betrokken voor zover deze door het overlijden van erflater in waarde zijn gestegen. Deze waardestijging kan bijvoorbeeld plaatsvinden als erflater een pensioenvoorziening heeft bij een BV, waarvan zijn dochter de aandelen bezit. In dat geval gaat door het overlijden van erflater geen ondernemingsvermogen over, maar door de vrijval van de pensioenvoorziening stijgt wel de waarde van de aandelen van de dochter. Deze vrijval leidt bij de dochter tot een fictieve verkrijging. Zoals toegelicht is de BOR niet van toepassing, omdat geen ondernemingsvermogen van erflater overgaat.
Voor toepassing van de BOR moet het ondernemingsvermogen zijn verkregen van een ondernemer in de zin van artikel 3.4 of 3.5 Wet IB 2001 of van een medegerechtigde in de zin van artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 (artikel 35d, eerste lid, onderdelen a en b, Successiewet).
A en B zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Zij hebben twee kinderen. A drijft een eenmanszaak. B overlijdt zonder een testament te hebben gemaakt. Op grond van het civiele recht behoort de onderneming tot de huwelijksgoederengemeenschap. Tot de nalatenschap van B behoort daarom de onverdeelde helft van de onderneming. Deze onverdeelde helft van de onderneming wordt als gevolg van de wettelijke verdeling door A verkregen. De kinderen krijgen hiervoor een onderbedelingsvordering op A. Artikel 35d, eerste lid, onderdeel a, Successiewet stelt als eis dat ondernemingsvermogen wordt verkregen van een ondernemer in de zin van de Wet IB 2001. B was in fiscale zin geen ondernemer, zodat de BOR naar de letter niet van toepassing is. Dat op deze verkrijging de BOR niet van toepassing is vind ik een onbillijkheid van overwegende aard. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat in dit geval voor B’s onverdeelde helft van de onderneming de eis vervalt dat van een ondernemer moet worden verkregen. Hierbij gelden onverkort de overige voorwaarden van de BOR, zoals de voorwaarden dat A tot het overlijden van B gedurende de minimale bezitsperiode de onderneming dreef en dat A de onderneming na het overlijden van B ten minste drie jaren voortzet. Op de onderbedelingsvordering van de kinderen die betrekking heeft op het aan A toegedeelde ondernemingsvermogen, kan de uitstelregeling van artikel 25, dertiende lid, Invorderingswet worden toegepast.
A en B zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. A is vennoot in een personenvennootschap die een onderneming drijft. B overlijdt zonder een testament te hebben gemaakt. Op grond van het civiele recht is het aandeel in de personenvennootschap verknocht aan A. Tot de nalatenschap van B behoort daarom een vordering op A ter grootte van de helft van de waarde van het ondernemingsvermogen van A. De vordering van B op A vererft op grond van het wettelijk erfrecht (de wettelijke verdeling) naar A. De kinderen krijgen hiervoor een onderbedelingsvordering op A. B was in fiscale zin geen ondernemer en had geen ondernemingsvermogen zodat de BOR naar de letter niet van toepassing is. Dat op deze verkrijging de BOR niet van toepassing is vind ik een onbillijkheid van overwegende aard. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat de BOR van toepassing is op de vordering in de nalatenschap van B die ziet op de helft van de waarde van het ondernemingsvermogen van A. Hierbij gelden onverkort de overige voorwaarden van de BOR, zoals de voorwaarden dat A tot het overlijden van B ten minste gedurende de minimale bezitsperiode de onderneming dreef en dat A de onderneming na het overlijden van B ten minste drie jaren voortzet. De goedkeuring geldt alleen als A zelf de vordering verkrijgt. Als de vordering van B vererft naar de kinderen hebben zij geen recht op de BOR. De kinderen zijn immers geen voortzetter. Op de onderbedelingsvordering van de kinderen op A die betrekking heeft op de aan A toegedeelde vordering van B, kan de uitstelregeling van artikel 25, dertiende lid, Invorderingswet worden toegepast.
A en B zijn buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Zij hebben samen één kind, C. Bij huwelijkse voorwaarden zijn de echtelieden een finaal verrekenbeding overeengekomen. Hierdoor wordt bij overlijden van een van de echtgenoten afgerekend alsof zij in wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd. A bezit enkel een persoonlijke onderneming. B overlijdt zonder een testament te hebben gemaakt. Als gevolg van het overlijden van B wordt de waarde van de onderneming verrekend, waardoor tot de nalatenschap van B een vordering op A behoort ter grootte van de helft van de waarde van de onderneming. Op grond van het wettelijk erfrecht (de wettelijke verdeling) vererft deze vordering naar A. C verkrijgt een onderbedelingsvordering op A.
De BOR is naar de letter niet van toepassing omdat A in dit geval geen ondernemingsvermogen verkrijgt. C kan geen beroep doen op de uitstelregeling van artikel 25, dertiende lid, Invorderingswet omdat C geen vordering heeft op een medeverkrijger die ondernemingsvermogen heeft verkregen in de zin van de BOR. De situatie voor A bij het finaal verrekenbeding is vergelijkbaar met de situatie zoals in onderdeel 3.4 is beschreven, die voor A zou zijn ontstaan als A en B in wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd. Dat op deze verkrijging de BOR niet van toepassing is vind ik een onbillijkheid van overwegende aard. Daarom keur ik het volgende onder voorwaarden goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat de BOR ook geldt voor de verrekenvordering door finale verrekening van de waarde van het ondernemingsvermogen van de langstlevende echtgenoot.
Voor de goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
De goedkeuring is alleen van toepassing voor de erfbelasting.
De goedkeuring geldt alleen voor de verrekenvordering, die ontstaat door het overlijden van de erflater.
De goedkeuring geldt voor zover de langstlevende echtgenoot de verrekenvordering verkrijgt.
De goedkeuring geldt alleen voor het saldo van de verrekenvordering door het finaal verrekenbeding dat is toe te rekenen aan de waarde van het ondernemingsvermogen van de langstlevende echtgenoot.
Het ondernemingsvermogen waarop de verrekening betrekking heeft, is ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, Successiewet dat de langstlevende echtgenoot al ten minste gedurende de minimale bezitsperiode van overlijden voor het overlijden van de erflater bezat.
De langstlevende echtgenoot houdt het ondernemingsvermogen ten minste gedurende de periode van drie jaren als bedoeld in artikel 35b, vijfde lid, Successiewet.
De aanname dat de langstlevende echtgenoot A ondernemingsvermogen heeft verkregen, werkt door naar de overige voorwaarden voor de BOR. Artikel 35e Successiewet is bijvoorbeeld van overeenkomstige toepassing. Voor kind C in het voorbeeld hierboven, betekent dit het volgende. C wordt door de goedkeuring geacht een onderbedelingsvordering te hebben verkregen op een medeverkrijger die ondernemingsvermogen heeft verkregen. Op de onderbedelingsvordering van het kind die betrekking heeft op de aan A toegedeelde vordering van B, kan de uitstelregeling van artikel 25, dertiende lid, Invorderingswet worden toegepast.
A en B zijn buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Hun huwelijkse voorwaarden bevatten een finaal verrekenbeding. Bij overlijden van een van de echtgenoten wordt afgerekend alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. B overlijdt. A heeft bij overlijden BOR-vermogen, waard 100 en voldoet aan de bezitseis. B heeft een bankrekening met een saldo van 60. Ieder heeft recht op (160/2=) 80. Tot de nalatenschap van B behoort een verrekenvordering op A van 20. A krijgt de vordering. De BOR is van toepassing op 20.
A en B zijn buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Hun huwelijkse voorwaarden bevatten een finaal verrekenbeding. Bij overlijden van een van de echtgenoten wordt afgerekend alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. B overlijdt. A heeft bij overlijden BOR-vermogen, waard 100 en voldoet aan de bezitseis. B heeft een bankrekening met een saldo van 160. Ieder heeft recht op (260/2=) 130. Tot de nalatenschap van B behoort een verrekenschuld aan A. De BOR is niet van toepassing, omdat A geen verrekenvordering krijgt.
A en B zijn buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Hun huwelijkse voorwaarden bevatten een finaal verrekenbeding. Bij overlijden van een van de echtgenoten wordt afgerekend alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. B overlijdt. A heeft bij overlijden een bankrekening met een saldo van 70 en BOR-vermogen, waard 30 en voldoet aan de bezitseis. B heeft een bankrekening met een saldo van 20. Ieder heeft recht op (120/2=) 60. Tot de nalatenschap van B behoort een verrekenvordering op A van 40. A krijgt de vordering. De BOR is van toepassing op 12 (30/100 van 40).
De BOR is opgezet vanuit het idee dat er direct aandelen worden verkregen in een vennootschap die een onderneming drijft.
A is enig aandeelhouder van BV X. BV X is enig aandeelhouder van BV Y. BV Y drijft een materiële onderneming. Voor de toepassing van de BOR worden de bezittingen en schulden van BV Y toegerekend aan BV X (artikel 35c, vijfde lid, Successiewet). Artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, Successiewet is van toepassing als A zijn aandelen in BV X schenkt aan B. In dat geval is sprake van een directe verkrijging van aandelen. Bij de schenking van de aandelen BV Y is sprake van een indirecte verkrijging waarvoor de BOR niet geldt. Onder omstandigheden vind ik dat een onbillijkheid van overwegende aard. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat de BOR ook kan gelden bij een indirecte verkrijging van de aandelen, zoals schenking van aandelen ‘bovenover’ of ‘onderlangs’. Het gaat om de hierna genoemde situaties. Voor deze goedkeuring gelden uiteraard onverkort de overige voorwaarden en uitgangspunten van de BOR. Daarom wordt voor de toepassing van artikel 7, derde en vierde lid, Uitvoeringsregeling uitgegaan van de waarde van de objectieve onderneming, zoals die wordt toegerekend aan BV X. De goedkeuring betreft de volgende situaties.
A is 100% aandeelhouder van BV X. BV X draagt haar aandelen in BV Y om niet over aan B. Door het voortzettingsvereiste van artikel 35e, eerste lid, onderdeel c, Successiewet mag B zijn aandelen in BV Y gedurende drie jaren niet geheel of gedeeltelijk vervreemden. Ook mag BV Y drie jaren de onderneming die zij ten tijde van de schenking dreef, niet geheel of gedeeltelijk staken.
Beginsituatie als onder 1. B is echter 100% aandeelhouder van BV C. A draagt zijn aandelen BV X om niet over aan BV C. Door het voortzettingsvereiste mag B gedurende drie jaren zijn aandelen in BV C niet geheel of gedeeltelijk vervreemden. Tevens mag BV C op haar beurt de aandelen in BV X gedurende deze drie jaren ook niet geheel of gedeeltelijk vervreemden. Ook mag BV X drie jaren de onderneming, die zij ten tijde van de schenking dreef, niet geheel of gedeeltelijk staken.
Beginsituatie als onder 2. BV X draagt haar aandelen in BV Y om niet over aan BV C. Deze situatie is een combinatie van de situaties 1 en 2 die hiervóór zijn besproken. Voor de gevolgen voor het voortzettingsvereiste verwijs ik naar die twee situaties.
Sinds 1 januari 2026 is voor de BOR een definitie van preferente aandelen in de Successiewet opgenomen (artikel 35c, twaalfde lid, Successiewet).
Op de schenking of vererving van preferente aandelen is de BOR onder voorwaarden van toepassing (artikel 35c, vierde lid, Successiewet). Voor indirect gehouden preferente aandelen zijn de voorwaarden opgenomen in artikel 8, derde lid, Uitvoeringsregeling.
Zo moeten bijvoorbeeld bij de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen, gewone aandelen zijn uitgegeven aan een ander (artikel 35c, vierde lid, onderdeel b, Successiewet en artikel 8, derde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling).3Ook bij zogenoemde hybride aandelen kan in bepaalde situaties met het daarin besloten preferente aandeel aan deze voorwaarde worden voldaan. Zie voorbeeld 8 in Kamerstukken II, vergaderjaar 2024–2025, 36 610, nr. 6. Een dergelijk hybride aandeel kan bijvoorbeeld ontstaan doordat de ene soort aandelen een hogere winst- of agioreserve heeft dan de andere soortaandelen van dezelfde BV. Over deze reserve zal een vaste vergoeding worden verstrekt, waardoor sprake is van voorrang ten aanzien van de winstverdeling of de liquidatieopbrengsten. De verkrijger van de (indirect gehouden) preferente aandelen moet ten tijde van de verkrijging reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder zijn van die uitgegeven aandelen (artikel 35c, vierde lid, onderdeel d, Successiewet en artikel 8, derde lid, onderdeel d, Uitvoeringsregeling). De verkrijger van de preferente aandelen hoeft dus niet bij de omzetting al te voldoen aan het 5%-vereiste. Als de verkrijger ooit wel voldeed aan het 5%-vereiste, maar ten tijde van de verkrijging niet meer, is niet voldaan aan de vereisten.4Voor een nadere toelichting verwijs ik naar het kennisgroepstandpunt KG:063:2023:41, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Het is geen bezwaar als de verkrijger van de directe preferente aandelen de bij de omzetting uitgegeven gewone aandelen indirect houdt. Artikel 35c, vierde lid, onderdeel d, Successiewet, kan dus zo worden gelezen dat de verkrijger van de preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b. De verkrijger van indirecte preferente aandelen mag de gewone aandelen, die bij de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen zijn uitgegeven, ook direct of indirect houden.
Het komt voor dat bij een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen vóór 1 januari 2010 geen rekening is gehouden met de na die datum geldende wettelijke voorwaarde dat de omzetting gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander. Ik heb er begrip voor dat met deze voorwaarde destijds nog geen rekening kon worden gehouden in gevallen waarbij er reeds een beoogd bedrijfsopvolger is, die al gewone aandelen houdt in de desbetreffende vennootschap. Daarom keur ik het volgende onder voorwaarden goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat ervan kan worden uitgegaan dat de omzetting van gewone aandelen in (indirect gehouden) preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander als bedoeld in artikel 35c, vierde lid, onderdelen b en d, Successiewet en artikel 8, derde lid, onderdelen b en d, Uitvoeringsregeling.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden:
De omzetting heeft plaatsgevonden vóór 2010.
Op het moment van de omzetting hield een ander ook gewone aandelen.
Alleen de gewone aandelen uit de vorige voorwaarde zijn aan te merken als de gewone aandelen die zijn toegekend aan een ander in de zin van de hiervoor vermelde wettelijke bepalingen.
De verkrijger van de preferente aandelen is op het moment van de verkrijging voor ten minste 5% van het totaal geplaatste aandelenkapitaal (direct of indirect) aandeelhouder van de in de vorige voorwaarde bedoelde gewone aandelen.
De goedkeuring geldt alleen voor de preferente aandelen die zijn ontstaan op het moment waarop de gewone aandelen zijn omgezet in preferente aandelen.
Als uitgangspunt geldt dat vorderingen voor de BOR niet als ondernemingsvermogen worden aangemerkt. Dat geldt ook voor de vordering die is ontstaan door een bedrijfsoverdracht waarbij de bedrijfsopvolger de koopsom voor de onderneming schuldig bleef aan (de vennootschap van) de overdrager. Bij de vererving of schenking van de vordering van de overdrager is de BOR niet van toepassing. Voor de doorschuiffaciliteit voor het aanmerkelijk belang in de Wet IB 2001 worden sinds 1 januari 2010 vorderingen ook niet als ondernemingsvermogen aangemerkt. Voor de doorschuifregeling is er wel een overgangsregeling voor vererving van een vordering die is ontstaan vóór 1 januari 2010 (artikel 4.17a, dertiende lid, Wet IB 2001). De reden daarvoor is dat voor de doorschuiffaciliteit in de aanmerkelijkbelangregeling sinds 1 januari 2010 de materiële onderneming een vereiste is. Voor de BOR bestaat het vereiste van een materiële onderneming van oudsher, zodat daarvoor geen overgangsrecht geldt. Bij een omzetting van de schuldig gebleven koopsom in preferente aandelen vóór 2010 kon op zich nog geen rekening worden gehouden met de vanaf 2010 geldende voorwaarde dat de preferente aandelen moeten zijn ontstaan door omzetting van gewone aandelen. Verzoeken om een dergelijke vordering toch aan te merken als ondernemingsvermogen voor de BOR, wijs ik af. Dergelijke vorderingen wijken immers niet wezenlijk af van andere beleggingen. Ik heb alleen begrip voor de situatie waarin de schuldig gebleven koopsom voor 1 januari 2010 is ontstaan en op dezelfde dag is omgezet in preferente aandelen. Daarom keur ik het volgende onder voorwaarden goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat als preferente aandelen als bedoeld in artikel 35c, vierde lid, onderdeel a, Successiewet en artikel 8, derde lid, onderdeel a, Uitvoeringsregeling worden aangemerkt de preferente aandelen die zijn ontstaan door omzetting van een vordering.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
De vordering is vóór 2010 ontstaan door overdracht van gewone aandelen aan een ander.
De vordering is op de dag van de overdracht omgezet in preferente aandelen.
Voor de toepassing van artikel 13d, negende lid, Wet VPB en artikel 13i Wet VPB wordt de inbreng van de aandelen tegen de vordering geacht te hebben plaatsgevonden tegen uitreiking van preferente aandelen.
Bij de toepassing van de faciliteit van de geruisloze omzetting (artikel 3.65 Wet IB 2001) is het mogelijk dat naast gewone aandelen cumulatief preferente aandelen zijn uitgereikt. Deze cumulatief preferente aandelen voldoen niet aan de vereisten van artikel 35c, vierde lid, Successiewet. Daarom is op deze aandelen de BOR niet van toepassing. Gezien de eisen die artikel 3.65 Wet IB 2001 stelt in de situatie dat twee of meer deelnemers in een samenwerkingsverband hun onderneming in dezelfde vennootschap inbrengen (zie met name de vijfde standaardvoorwaarde en de toelichting behorende bij het besluit van 24 oktober 2025, nr. 2025-21695, Staatscourant 2025, 37092), vind ik dit ongewenst. Daarom keur ik het volgende onder voorwaarden goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat de cumulatief preferente aandelen, die bij de hierboven omschreven inbreng worden uitgereikt, geacht worden te voldoen aan artikel 35c, vierde lid, onderdelen a, b en d, Successiewet.
Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden:
De bij de geruisloze omzetting aan iedere inbrenger uitgereikte gewone en cumulatief preferente aandelen blijven aan elkaar gekoppeld.
De cumulatief preferente aandelen worden naar evenredigheid gekoppeld aan de gewone aandelen.
De verkrijger verkrijgt tegelijk met de gewone aandelen in de omgezette onderneming, de daaraan naar evenredigheid gekoppelde cumulatief preferente aandelen.
De goedkeuring geldt uitsluitend voor de cumulatief preferente aandelen die in verband met de geruisloze omzetting zijn verkregen.
Voorgaande voorwaardelijke goedkeuring geldt ook indien twee of meer deelnemers in een samenwerkingsverband hun (subjectieve) onderneming in hun persoonlijke houdstervennootschap inbrengen en de houdstervennootschappen vervolgens hun onderneming met toepassing van artikel 14 Wet VPB laten uitzakken in een gezamenlijke werkmaatschappij, waarbij cumulatief preferente aandelen worden uitgereikt.
X en Y drijven samen een vennootschap onder firma. Het kapitaal van X in de vennootschap is 600 en het kapitaal van Y is 500. Ieder ontvangt een arbeidsbeloning, een rentevergoeding over diens kapitaal en is gerechtigd tot de helft van de winst. Ze richten een BV op en brengen hun (subjectieve) ondernemingen met toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 geruisloos in. Voor de inbreng reikt de BV aandelen uit, waarbij X 50 gewone aandelen met elk een waarde van 10 en 5 cumulatief preferente aandelen met elk een waarde van 20 krijgt. Y krijgt 50 gewone aandelen met elk een waarde van 10. Als X gelijktijdig 30 van zijn gewone aandelen en 3 van zijn cumulatief preferente aandelen schenkt, kan de verkrijger een beroep op deze goedkeuring doen.
Uiteraard moet voor de toepassing van de BOR ook voldaan zijn aan de overige voorwaarden van de BOR. Deze beoordeling is voorbehouden aan de inspecteur.
De BOR geldt voor aandelen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van de meetrekregeling van artikel 4.10 Wet IB 2001 (artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, Successiewet). Voor de toepassing van de BOR zijn de artikelen 4.3 (gelijkstelling genotsgerechtigden) tot en met 4.5a Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing (artikel 35c, dertiende lid, Successiewet).
De BOR kan ook worden toegepast op verkregen bloot eigendom van die aandelen of op verkregen vruchtgebruik van die aandelen. Het is ook geen bezwaar dat de BOR wordt toegepast als de bloot eigendom en het vruchtgebruik van die aandelen door de verkrijging (door overlijden of schenking) is ontstaan.
De erflater heeft een vruchtgebruiktestament. Hij was gehuwd en laat aanmerkelijkbelangaandelen na. De langstlevende echtgenoot verkrijgt het vruchtgebruik van die aandelen van de erflater. De kinderen verkrijgen de bloot eigendom van die aandelen. De BOR kan worden toegepast bij de langstlevende echtgenoot en bij de kinderen als ook aan de overige voorwaarden voor toepassing van de BOR is voldaan.
Bij een zogenoemde turboverdeling kan de BOR bij de vruchtgebruiker niet worden toegepast voor zover deze krachtens huwelijksvermogensrecht reeds was gerechtigd tot de aandelen (artikel 35f, tweede lid, Successiewet).
Voor vennootschappelijke moeder-/dochterverhoudingen is in artikel 35c, vijfde lid, Successiewetde zogenoemde toerekeningsregel opgenomen. Door deze toerekeningsregel wordt de houdstervennootschap geacht de onderneming van de werkmaatschappij te drijven. Bij meerdere werkmaatschappijen worden de bezittingen en schulden van alle werkmaatschappijen waarmee wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toerekeningsregel, gezamenlijk aan de houdstervennootschap toegerekend. Eén van de voorwaarden voor deze toerekening is dat de erflater of schenker een indirect aanmerkelijk belang of een verwaterd belang in de werkmaatschappij moet hebben. Als de houdstervennootschap (direct of indirect) gewone aandelen van de werkmaatschappij houdt, vindt de toerekening plaats met inachtneming van de omvang van het belang van deze aandelen.
Bij bijvoorbeeld tracking stocks5Onder tracking stocks wordt hier verstaan aandelen die een bijzondere gerechtigdheid kennen met betrekking tot de voordelen uit een of meerdere bezittingen of activiteiten van een vennootschap. Bij een tracking stock gaat het om de economische voordelen en dus niet om bijvoorbeeld het kunnen uitbrengen van stemrechten ten aanzien van bezittingen of activiteiten. is van een dergelijk belang alleen sprake als erflater of schenker een economisch belang in de werkmaatschappij heeft. Alleen dan kan sprake zijn van een indirect aanmerkelijk belang in die werkmaatschappij. Zie voor een nadere toelichting onderdeel 6.2.5 Verzamelbesluit AB 2025. Als de houdstervennootschap (direct of indirect) soortaandelen van de werkmaatschappij houdt, vindt de toerekening van de bezittingen en schulden van de werkmaatschappij plaats met inachtneming van de waarde van deze aandelen.6Zie voorbeeld 3 in Kamerstukken II, 2008–2009, 31 930, nr. 9, p. 101 en voorbeeld 1 in Kamerstukken II, 2024–2025, 36 610, nr. 3, p. 14–15.
De erflater laat 5% van de aandelen in een houdstervennootschap na. De houdstervennootschap heeft 100% van de aandelen in A BV, die een onderneming drijft. De houdstervennootschap heeft ook 100% van de aandelen in B BV. B BV drijft geen materiële onderneming, maar bezit het bedrijfspand dat wordt verhuurd aan de werkmaatschappij A BV en waarin deze haar onderneming uitoefent.
Door de gezamenlijke toerekening wordt het bedrijfspand dat wordt verhuurd aan de werkmaatschappij aangemerkt als ondernemingsvermogen.
De erflater hield soortaandelen X en een derde houdt soortaandelen Y in houdstervennootschap Holding BV. Holding BV houdt alle aandelen in werkmaatschappij X BV en werkmaatschappij Y BV, die elk een onderneming drijven. De soortaandelen X geven recht op alle winsten en waardeontwikkelingen van X BV. De soortaandelen Y geven recht op alle winsten en waardeontwikkelingen van Y BV. De winsten en waardeontwikkelingen van Holding BV, die resteren na deze verdeling, worden bij helfte verdeeld over de soortaandelen X en Y. Deze soortaandelen zijn tracking stocks. Erflater had vanwege de gerechtigdheid van de soortaandelen X geen economisch belang in Y BV. Omdat de erflater alleen een indirect aanmerkelijk belang in X BV had, worden alleen de bezittingen en schulden van X BV aan Holding BV toegerekend. Aan de hand van deze toerekening wordt bepaald of de erfgenamen van X beroep kunnen doen op de BOR.
De toerekeningsregel is niet alleen relevant ten tijde van de verkrijging van de aandelen van de houdstervennootschap, maar ook tijdens de bezits- en voortzettingsperiode. Neemt tijdens de bezitsperiode het belang van de houdstervennootschap in de onderneming van de werkmaatschappij toe, dan vangt in zoverre een nieuwe bezitsperiode aan. Deze toename kan het gevolg zijn van bijvoorbeeld aankoop van aandelen in de werkmaatschappij, uitgifte van nieuwe aandelen door de werkmaatschappij, inkoop van bestaande aandelen door de werkmaatschappij bij een ander, herstructurering van het concern7Hoge Raad 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:137. of omvorming van de indirect gehouden aandelen. Door deze toename zullen meer bezittingen en schulden van de onderneming van de werkmaatschappij aan de houdstervennootschap worden toegerekend.
Neemt tijdens de voortzettingsperiode het belang van de houdstervennootschap in de onderneming van de werkmaatschappij af, dan zullen er minder bezittingen en schulden van die onderneming worden toegerekend aan de houdstervennootschap. Door deze afname kan sprake zijn van (deels) ophouden winst te genieten en vervalt (in zoverre) de BOR-vrijstelling. Deze afname kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van verkoop, uitgifte, inkoop en omvorming van indirect gehouden aandelen of herstructurering van het concern.
Ik merk op dat het niet uitmaakt of er een vervangingsvoornemen is, dan wel een herinvestering is gedaan. Uitgangspunt van de BOR is immers dat de overgedragen onderneming ten minste drie jaren wordt voortgezet. Dit betekent dat gedurende drie jaren het belang van de houdstervennootschap in de werkmaatschappij niet mag afnemen en de werkmaatschappij haar onderneming drie jaar moet voortzetten.
In de artikelen 9 en 10 Uitvoeringsregeling zijn voor bepaalde situaties tegemoetkomingen voor de bezits- en voortzettingseis opgenomen. Tevens is in artikel 10, vierde lid, Uitvoeringsregeling opgenomen dat na een gebeurtenis in de voortzettingsperiode, waarop de tegemoetkoming in artikel 10, eerste, tweede of derde lid, Uitvoeringsregeling is toegepast, artikel 35e Successiewet volledig van toepassing is op de alsdan ontstane situatie. Met ingang van 1 januari 2026 is in dat lid ook opgenomen dat daarbij in afwijking van het bepaalde in artikel 35c, vijfde lid, Successiewet wordt beoordeeld of de verkrijger in plaats van de erflater of schenker in de nieuwe situatie aan de voorwaarden van de toerekeningsregel blijft voldoen.
Artikel 3
Ondernemingsvermogen
Onderdeel van Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 23 mei 2026
Verwijzingen
- artikel 35d
- artikel 35b
- artikel 9
- artikel 12
- artikel 10
- artikel 35c
- artikel 35c
- Artikel 35d
- artikel 25
- artikel 10
- Artikel 35c
- artikel 25
- artikel 8
- artikel 35f
- artikel 8
- artikel 35c
- artikel 4
- artikel 25
- artikel 7
- artikel 8
- artikel 35c
- artikel 35c
- Artikel 35c
- artikel 4
- artikel 35c
- artikel 35c
- artikel 35e
- artikel 35c
- artikel 35b
- artikel 13d
- artikel 25
- artikel 35c
- artikel 35c
- artikel 35c
- artikel 35c
- artikel 35c
- artikel 8
- artikel 8
- artikel 35c
- artikel 10
- artikel 35c