Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Bezitseis

Onderdeel van Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 23 mei 2026

De bezitseis (artikel 35d Successiewet) draagt bij aan het waarborgen van de bedoeling van de wetgever dat de BOR enkel is bedoeld voor reële bedrijfsopvolgingen. Daarnaast is de bezitseis een antimisbruikbepaling om te voorkomen dat niet-ondernemingsvermogen voorafgaand aan het overlijden of een schenking wordt omgezet in kwalificerend ondernemingsvermogen. Dit brengt bijvoorbeeld met zich mee dat als de gerechtigdheid van de erflater of schenker tot een (personen-)vennootschap toeneemt, voor dat deel een nieuwe bezitsperiode aanvangt. Met ingang van 1 januari 2026 is dit door de slotzin van artikel 35d, eerste lid, Successiewet duidelijk in de wet verankerd. Daarin staat dat voor zover de subjectieve gerechtigdheid in de bezitsperiode toeneemt de erflater of schenker niet voldoet aan de bezitseis. Met ingang van dezelfde datum zijn de tegemoetkomingen in artikel 9 Uitvoeringsregeling uitgebreid, zodat onder andere meer vormen van herstructurering mogelijk zijn. Desondanks pakt de bezitseis in bepaalde situaties ongewenst hard uit. Daarom heb ik hieronder een aantal goedkeuringen opgenomen. De houder van certificaten van aandelen kan voor de toepassing van hoofdstuk 4 Wet IB 2001 worden aangemerkt als aanmerkelijkbelanghouder. De certificaathouder heeft dan een direct belang bij de aandelen in de vennootschap. Op deze certificaten kan de BOR van toepassing zijn.8Kamerstukken II, 2008–2009, 31 930, nr. 9, p. 102. Als de certificering van direct gehouden aandelen plaatsvindt tijdens de bezitsperiode gaat de erflater of schenker andere vermogensbestanddelen bezitten, waardoor een nieuwe bezitsperiode aanvangt. Ik vind dit ongewenst als de aandelen en certificaten te vereenzelvigen zijn. Hetzelfde geldt als tijdens de bezitsperiode decertificering plaatsvindt. Daarom keur ik het volgende goed. Certificering en decertificering van direct gehouden aandelen tijdens de bezitsperiode heeft geen gevolgen voor het voldoen aan de bezitseis, als de certificaten met de aandelen te vereenzelvigen zijn overeenkomstig onderdeel 5.6 Verzamelbesluit AB 2025. Aandeelhouders die de wens hebben om een eigen dividendpolitiek te voeren, realiseren dit vaak door hun aanmerkelijkbelangaandelen te verletteren. Als de wijziging alleen ziet op de dividendpolitiek worden de tot dan opgebouwde reserves en goodwill evenredig over de aandelen verdeeld en wijzigen de overige rechten van de aandelen niet. Na de verlettering kan per groep aandelen met dezelfde letter worden beslist of de daaraan gekoppelde reserves en goodwill worden uitgekeerd.9In onderdeel 2.2 Verzamelbesluit AB 2025 is toegelicht dat onder andere van soortaandelen sprake is als de aandelen verschillen met betrekking tot de besluitvorming omtrent uitkeringen van winst of vermogen van de vennootschap. Zie ook HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7252 en ECLI:NL:HR:2011:BU8233. Vanaf het moment dat de reserves of goodwill niet meer gelijk zijn, zijn de aandelen ook niet meer te vereenzelvigen met de eerdere aandelen. Als zo’n verlettering in de bezitsperiode plaatsvindt gaat de erflater of schenker andere vermogensbestanddelen bezitten, waardoor een nieuwe bezitsperiode aanvangt. Ik vind dit ongewenst als bij de verlettering de overige rechten van de aandelen niet wijzigen, waardoor de oorspronkelijke aandelen en de letteraandelen te vereenzelvigen zijn.10Uit de jurisprudentie blijkt dat het daarbij gaat om een zodanige verandering van financiële rechten of een wezenlijke verandering in de fiscale positie en daarmee de economische betekenis van de aandelen dat de gewijzigde aandelen niet met de ongewijzigde aandelen kunnen worden vereenzelvigd. Vergelijk HR 28 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4067 en Gerechtshof Arnhem 30 oktober 1989, ECLI:NL:GHARN:1989:AW2363. De vindplaats van deze laatste uitspraak is BNB 1991/99 en V-N 1990/561, 12. Daarom keur ik onder voorwaarde het volgende goed. Ik keur onder voorwaarde goed dat een verlettering van direct gehouden gewone aandelen voor het voeren van een eigen dividendpolitiek, geen gevolgen voor de bezitseis heeft. Voor deze goedkeuring geldt de volgende voorwaarde: De wijziging van de rechten van de aandelen ziet enkel op het opbouwen en beschikken over eigen reserves en goodwill, waardoor ten tijde van verlettering de letteraandelen te vereenzelvigen zijn met de verletterde gewone aandelen en geen sprake is van vervreemding. H heeft al tien jaren alle aandelen (40 stuks) van N BV, die gedurende die tijd dezelfde onderneming drijft. H gaat zijn aandelen schenken aan zijn twee kinderen. Om ervoor te zorgen dat de kinderen hun eigen dividendpolitiek kunnen voeren, worden kort voorafgaand aan de schenking de aandelen verletterd in 20 aandelen met de letter A en 20 aandelen met de letter B. De aanwezige reserves en goodwill worden bij de verlettering evenredig over de letteraandelen verdeeld. De overige rechten van de aandelen wijzigen niet. Ten tijde van de verlettering zijn de letteraandelen A en B te vereenzelvigen met de 40 aandelen die verletterd zijn. Op grond van deze goedkeuring heeft de verlettering geen gevolgen voor het voldoen aan de bezitseis. Als nadien de winstreserves van de aandelen met letter A en de aandelen met letter B door het voeren van de eigen dividendpolitiek niet meer gelijk zijn, kunnen hybride aandelen ontstaan. Hierdoor wordt met het deel van het hybride aandeel dat als preferente aandeel wordt aangemerkt niet voldaan aan het voortzettingsvereiste (artikel 35e, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, Successiewet). De bezitseis vereist dat de schenker minimaal gedurende vijf jaar aanmerkelijkbelanghouder was van de geschonken vermogensbestanddelen (artikel 35d, eerste lid, onderdeel c, onder 1° en derde lid, Successiewet). Als de vermogensbestanddelen tot een huwelijksgoederengemeenschap behoren is niet aan te wijzen van welke aandelen de schenker aanmerkelijkbelanghouder was.11Civielrechtelijk zijn beide echtgenoten ieder voor het geheel rechthebbende tot de aandelen, onder respectering dat de andere echtgenoot dat ook is (de zogenoemde ‘gezamendehandse leer’, zie Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156). Voor toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling in de inkomstenbelasting worden echter beide echtgenoten voor de helft van de aandelen als aanmerkelijkbelanghouder beschouwd, ongeacht op wiens naam de aandelen staan of wie de bestuursbevoegde echtgenoot is (zie HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004).   Hierdoor is niet te bepalen welke vermogensbestanddelen kunnen worden geschonken als de schenker in de daaraan voorafgaande jaren vermogensbestanddelen van zijn echtgenoot heeft geërfd. Het gevolg zou zijn dat de BOR niet van toepassing is als de langstlevende echtgenoot een gedeelte van de vermogensbestanddelen schenkt. Ik vind dat ongewenst en daarom keur ik onder voorwaarde het volgende goed. Ik keur onder voorwaarde goed dat de schenker geacht wordt aanmerkelijkbelanghouder te zijn van dat deel van de vermogensbestanddelen die tot de huwelijksgoederengemeenschap tussen hem en de erflater behoorden, dat overeenstemt met diens aandeel in die gemeenschap (bij ontbinding). Voor de goedkeuring geldt de volgende voorwaarde: Niet meer vermogensbestanddelen worden geschonken dan de schenker vóór het overlijden van zijn echtgenoot fiscaalrechtelijk geacht werd te bezitten. C en D zijn tien jaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, waartoe gedurende diezelfde periode alle aandelen (200 stuks) in E BV behoren. E BV drijft een onderneming. De aandelen staan in het aandeelhoudersregister van E BV op naam van C. De echtgenoten zijn bij ontbinding van de gemeenschap van goederen ieder gerechtigd tot de helft van de aandelen. Voor het aanmerkelijkbelangregime van hoofdstuk 4 Wet IB 2001 zijn C en D beiden aanmerkelijkbelanghouder van 50% van de aandelen van E BV. Ieder wordt daarmee fiscaalrechtelijk geacht 100 aandelen in E BV te bezitten. C overlijdt en D is zijn enig erfgenaam. Na deze verkrijging bezit D 200 aandelen in E BV. D schenkt twee jaar later de aandelen in E BV met de nummers 1 tot en met 120 aan X. Door de goedkeuring wordt D geacht voorafgaand aan het overlijden van C aanmerkelijkbelanghouder van 100 aandelen te zijn geweest. Omdat D die aandelen al langer dan de minimale bezitsperiode bezit wordt met 100 van de geschonken aandelen voldaan aan de bezitseis en met de overige 20 aandelen niet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel