Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Voortzettingsvereiste

Onderdeel van Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 23 mei 2026

Eén van de voorwaarden voor de BOR is dat de verkrijger voldoet aan het voortzettingsvereiste (artikel 35e, eerste lid, Successiewet). Hierdoor is de vrijstelling alleen bij daadwerkelijke bedrijfsopvolging van toepassing. De BOR vervalt (deels) indien de verkrijger ophoudt uit de onderneming of uit een deel daarvan winst te genieten (artikel 35e, eerste lid, onderdeel a, Successiewet). De terminologie ‘ophouden uit de onderneming of uit een deel daarvan winst te genieten’ sluit aan bij het materiële stakingsbegrip in de inkomstenbelasting. Dit betekent overigens niet dat er een volledige gelijkheid bestaat met de behandeling voor de inkomstenbelasting. Afwijkingen zijn mogelijk indien de ratio van de BOR dat rechtvaardigt. De doorschuifregelingen voor de inkomstenbelasting, zoals die van artikel 3.63 Wet IB 2001, gelden niet voor de Successiewet. Voor het voortzettingsvereiste van de BOR is alleen van belang dat de verkrijger winst blijft genieten. Voor zover de voortzetter ophoudt winst te genieten, worden de faciliteiten ingetrokken. Het moment waarop de verkrijger ophoudt winst te genieten, kan afwijken van het moment waarop hij op grond van goed koopmansgebruik zijn stakingswinst in aanmerking mag nemen. Degene die een vennootschap onder firma aangaat onder voorbehoud van stille reserves hoeft voor de inkomstenbelasting nog niet af te rekenen over de stakingswinst. Voor de BOR houdt hij wel direct gedeeltelijk op winst te genieten. Als de verkrijger dit binnen de driejaarstermijn doet, vervallen hierdoor dus de faciliteiten voor de BOR. De behandeling voor de heffing van inkomstenbelasting is hiervoor niet van belang. Dit geldt ook voor de toepassing van artikel 35e, eerste lid, onderdeel b, en onderdeel c, onder 3°, Successiewet, waarin dezelfde terminologie ‘ophouden uit de onderneming of uit een deel daarvan winst te genieten’ is opgenomen. De verkrijger die een samenwerkingsverband aangaat, houdt slechts op winst te genieten voor zover zijn gerechtigdheid tot de winst daardoor verder afneemt dan het aandeel in de winst waartoe hij gerechtigd was vóór de verkrijging waarop de BOR is toegepast (artikel 35e, tweede lid, Successiewet). In artikel 10 Uitvoeringsregeling is een aantal situaties opgenomen waarbij op verzoek en onder voorwaarden de faciliteiten niet worden ingetrokken als de verkrijger (gedeeltelijk) ophoudt winst te genieten of de verkregen vermogensbestanddelen vervreemdt of het lichaam waarvan de vermogensbestanddelen zijn verkregen (deels) ophoudt winst te genieten. Daarnaast zijn er nog andere situaties opgenomen, die kunnen spelen bij overheidsingrijpen of overlijden van de verkrijger. Met ingang van 1 januari 2026 zijn het aantal situaties uitgebreid. Certificering van de verkregen aandelen is op zich een vervreemding, aangezien de aandelen worden overgedragen aan bijvoorbeeld een administratiekantoor. Deze vervreemding kan leiden tot het vervallen van de BOR-vrijstelling. Hiervan is geen sprake als wordt voldaan aan de voorwaarden van vereenzelviging zoals opgenomen in onderdeel 5.6 Verzamelbesluit AB 2025.12In onderdeel 4.2 van dit besluit wordt verwezen naar de jurisprudentie over vereenzelviging. Als sprake is van vereenzelviging geldt hetzelfde bij decertificering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel