Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Verplichtingen ontvanger

Onderdeel van Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026

1. De ontvanger realiseert de bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarvoor de specifieke uitkering is verleend uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is vermeld. 2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarvoor de specifieke uitkering is verleend. 3. De ontvanger start de realisatie van de woningen uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven. 4. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven. 5. De ontvanger start de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven. 6. Indien de bovenplanse infrastructurele voorziening een mobiliteitshub betreft, draagt de ontvanger er zorg voor dat: hij eigenaar wordt van de mobiliteitshub en die hub beheert; de mobiliteitshub als bovenplanse voorziening openbaar toegankelijk is en het aanbod op de hub publiek is te gebruiken; de mobiliteitshub is ontworpen conform de nationale hub-identiteit; hij afspraken maakt met aanbieders van mobiliteitsdiensten op de hub waarin de data-uitwisseling is geregeld over de hub en de daarin aangeboden publieke en private mobiliteitsdiensten als bedoeld in gedelegeerde verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten en in de nationale afspraken hierover in het digitaal stelsel mobiliteitsdata; en hij deelneemt aan het landelijk programma mobiliteitshubs voor een gezamenlijke aanpak, waaronder monitoring en evaluatie, kennisuitwisseling en gezamenlijke afspraken. 7. De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat: de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen op de woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden gestart of afgerond; de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart; het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen niet of niet geheel zal worden gerealiseerd; niet aan andere in deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan. 8. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zevende lid, jaarlijks aan de minister uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s, de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de infrastructurele bovenplanse voorzieningen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie of woningbouwlocaties. Indien de voorziening een mobiliteitshub betreft wordt tevens ingegaan op de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel b. 9. De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek als bedoeld in artikel 19 die de minister redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van dat onderzoek.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel