De saneerder gaat na of de aanvraag tot saneringssubsidie volledig is. Daarbij toetst de saneerder of de subsidieaanvraag voldoet aan het bepaalde in artikel 111 van het Btiv.
Indien de subsidieaanvraag onvolledig is, wordt de noodlijdende toegelaten instelling in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. De termijn voor het nemen van een besluit zal alsdan op grond van het bepaalde in artikel 4:15 Awb worden opgeschort.
Na ontvangst van een volledige saneringsaanvraag zal de saneerder:
toetsen of deze aanvraag in lijn is met het advies van de Adviescommissie;
nagaan of het verrichten of voortzetten van de noodzakelijke DAEB-werkzaamheden naar het oordeel van burgemeester en wethouders van de gemeenten waar zij worden verricht noodzakelijk is conform het bepaalde in artikel 112, eerste lid,sub b, van het Btiv;
beoordelen of het voorkeursscenario zoals in het saneringsplan is voorgesteld voldoet aan hetgeen bepaald in artikel 112, tweede lid, van het Btiv. Dit artikel bepaalt dat de hiervoor benodigde subsidie niet hoger is dan het bedrag dat noodzakelijk is om te waarborgen dat een toegelaten instelling na uitvoering van het saneringsplan over voldoende financiële middelen beschikt om de noodzakelijke DAEB-werkzaamheden voort te (laten) zetten. De saneerder beoordeelt dit aan de hand van de diverse, door de noodlijdende toegelaten instelling in het saneringsplan uitgewerkte scenario's, waaronder in ieder geval het scenario waarin de noodlijdende toegelaten instelling blijft bestaan;
de Aw en de borgingsvoorziening om een zienswijze vragen op:
het saneringsplan;
de subsidieaanvraag.
De saneerder betrekt deze zienswijzen, mits binnen tien werkdagen verstrekt, gemotiveerd bij het besluit op het saneringsplan en het besluit tot het al dan niet verstrekken van de subsidie;
het saneringsplan zoals ingediend door de noodlijdende toegelaten instelling al dan niet goedkeuren. Alvorens over te gaan tot goedkeuring, legt de saneerder het saneringsplan voor schriftelijk instemming voor aan de minister.
Wanneer de saneringsaanvraag volledig is en het saneringsplan door de saneerder is goedgekeurd, bepaalt de saneerder de hoogte van de saneringssubsidie met inachtneming van het bepaalde in artikel 112, tweede lid, van het Btiv. Hierbij geldt dat saneringssubsidie beperkt is tot de kosten die noodzakelijk zijn om de noodzakelijke DAEB-werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de Woningwet, voort te zetten.
Voor het bepalen van de hoogte van de saneringssubsidie wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de noodzakelijk DAEB-werkzaamheden zullen worden verricht of voortgezet door een andere toegelaten instelling (een regiocorporatie) dan de noodlijdende toegelaten instelling (artikel 112, tweede lid, onderdeel a van het Btiv) en de situatie waarin dit gebeurt door de noodlijdende toegelaten instelling zelf (artikel 112, tweede lid, onderdeel b, van het Btiv).
In het geval dat (een deel van) de noodzakelijke DAEB-werkzaamheden worden voortzet door een of meerdere regiocorporaties, bepaalt artikel 112 lid 2 onderdeel a Btiv dat deze saneringssubsidie voor overname van noodzakelijk DAEB-bezit niet hoger kan zijn dan het verschil tussen wat de overnemende toegelaten instelling ervoor kan betalen en de getaxeerde marktwaarde die de noodzakelijk DAEB-werkzaamheden vertegenwoordigen.
Wanneer de noodzakelijk DAEB-werkzaamheden worden voortgezet door de noodlijdende toegelaten instelling zelf, bepaalt artikel 112 lid 2 onderdeel b Btiv dat, mocht de noodlijdende toegelaten instelling ook ander bezit voortzetten (niet noodzakelijk DAEB en/of niet-DAEB) omdat dit uiteindelijk leidt tot lagere saneringssubsidie, bij het bepalen van de omvang van de saneringssubsidie rekening gehouden wordt met het gegeven dat de noodlijdende toegelaten instelling weer moet gaan voldoen aan de financiële ratio’s zodat de financiële continuïteit gewaarborgd is. Ook moet de saneringssubsidie leiden tot een solide financiële situatie waarmee voorkomen wordt dat de noodlijdende toegelaten instelling die saneringssubsidie ontvangt bij nieuwe tegenvallers opnieuw in een saneringssituatie terecht zou komen.
Het advies van de Adviescommissie verduidelijkt wat het noodzakelijk DAEB-bezit is waarvoor de noodlijdende toegelaten instelling maximaal saneringssubsidie kan ontvangen. Het advies van de Adviescommissie is daarmee leidend bij de saneringsaanvraag. Dit neemt niet weg dat de saneerder bij de beoordeling van een aanvraag voor saneringssubsidie altijd zal dienen te wegen of het aangevraagde bedrag aan saneringssubsidie in verhouding staat tot de omvang van het daarmee voort te zetten noodzakelijk DAEB-bezit en tevens of de hoogte van de saneringsbijdrage die door alle toegelaten instellingen dient te worden opgebracht, in redelijkheid van individuele toegelaten instellingen kan worden verwacht.
In deze evenredigheidstoets moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. In ieder geval worden daarbij betrokken:
dat de saneringssubsidie gericht dient te zijn op voortzetting van de noodzakelijke DAEB-werkzaamheden; en
de verhouding tussen de noodzakelijke DAEB-werkzaamheden en de overige werkzaamheden.
Daarnaast kunnen de volgende elementen een rol spelen (niet-limitatief):
de bredere volkshuisvestelijke effecten;
de mogelijke gevolgen wanneer geen saneringssubsidie wordt toegekend; en
de omvang van de aangevraagde saneringssubsidie in relatie tot het volkshuisvestelijke belang van voortzetting van de DAEB-werkzaamheden.
Bij de beoordeling van een saneringsaanvraag kan de saneerder gemotiveerd van het advies van de Adviescommissie afwijken.
De saneerder kent de aanvraag voor subsidie toe wanneer hij concludeert dat aan alle voorwaarden is voldaan en de hoogte van het subsidiebedrag evenredig is. Wanneer de saneerder alles overwegende tot de conclusie komt dat de aanvraag om saneringssubsidie (gedeeltelijk) moet worden afgewezen, maakt hij aan de toegelaten instelling het voornemen bekend dat hij de aanvraag om saneringssubsidie zal afwijzen en motiveert hij op grond waarvan hij tot dat oordeel is gekomen. De saneerder stelt daarbij de toegelaten instelling in de gelegenheid hierover een zienswijze in te dienen en de saneringsaanvraag (en zo nodig het saneringsplan) aan te passen. Indien de toegelaten instelling de saneringsaanvraag nader onderbouwt, maakt de saneerder op basis daarvan een nieuwe afweging en neemt een besluit.
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na datum van publicatie en hebben terugwerkende kracht tot 1 juli 2024. Deze beleidsregels vervangen de beleidsregels financiële sanering toegelaten instellingen 2023.
Artikel 3
De beoordeling van de saneringsaanvraag en de door WSW te hanteren termijnen
Onderdeel van Beleidsregels financiële sanering toegelaten instellingen 2024· Wonen, onroerend goed, bouwrecht
Deze tekst geldt sinds 7 juli 2026