Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Het moment waarop een toegelaten instelling in aanmerking kan komen voor sanering

Onderdeel van Beleidsregels financiële sanering toegelaten instellingen 2024· Wonen, onroerend goed, bouwrecht

Deze tekst geldt sinds 7 juli 2026

Artikel 112, eerste lid, onderdeel a, van het Btiv bepaalt dat in beginsel saneringssubsidie beschikbaar is voor een toegelaten instelling die niet in staat is om de betrokken werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang te kunnen verrichten of voortzetten (de ‘noodlijdende toegelaten instelling’). Alvorens de noodlijdende toegelaten instelling een aanvraag tot saneringssubsidie kan indienen, heeft de noodlijdende toegelaten instelling de hieronder genoemde fasen doorlopen. Wanneer op basis van de prognose informatie voor de eerste keer blijkt dat een toegelaten instelling binnen de prognoseperiode van vijf jaar niet meer aan de financiële ratio’s uit het gezamenlijk beoordelingskader van de Aw en de borgingsvoorziening kan voldoen, krijgt de toegelaten instelling onder regie van de Aw en de borgingsvoorziening de mogelijkheid om tot financieel herstel te komen. Indien deze eerste bijsturing vanuit de Aw en de borgingsvoorziening niet tot het beoogde resultaat leidt, zullen de Aw en borgingsvoorziening de toegelaten instelling vragen om een herstelplan op te stellen. Het herstelplan wordt beoordeeld door deze partijen. Wanneer de toegelaten instelling niet geheel voldoet aan de financiële ratio’s van de Aw, en maatregelen om binnen tien jaar aan die situatie een einde te maken niet mogelijk zijn, maar de financiële middelen aanwezig zijn om de werkzaamheden te kunnen voortzetten, start de herstructureringsfase. Op dat moment verzoekt de noodlijdende toegelaten instelling de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden toegelaten instellingen (de ‘Adviescommissie’) om advies op grond van artikel 29 van de Woningwet. De toegelaten instelling dient ervoor te zorgen dat het herstructureringsplan dat wordt opgesteld zoveel mogelijk rekening houdt en in lijn is met het advies van de Adviescommissie. De Adviescommissie adviseert de noodlijdende toegelaten instelling over: De omvang van het noodzakelijk DAEB-bezit zoals bedoeld in artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de Woningwet; de financiële mogelijkheden van regiocorporaties om te kunnen bijdragen zoals bedoeld in artikel 56a, tweede lid, onderdeel b, van de Woningwet; de doelmatigheid van het in stand houden van de in onderdeel a bedoelde woongelegenheden zoals bedoeld in artikel 56a, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet. De Adviescommissie betrekt in haar advisering in ieder geval de zienswijzen als bedoeld in artikel 110d, van het Btiv. Het advies van de Adviescommissie wordt kenbaar gemaakt aan de noodlijdende toegelaten instelling en de andere partijen genoemd in artikel 110f, van het Btiv, waaronder de Aw en de borgingsvoorziening. Naar aanleiding van het advies van de Adviescommissie voert de noodlijdende toegelaten instelling gesprekken met de regiocorporaties van wie krachtens het hiervoor bedoelde advies van de Adviescommissie in redelijkheid kan worden verlangd dat zij (een deel van) het noodzakelijk DAEB-bezit voortzetten. Indien met in achtneming van het advies van de Adviescommissie en de mogelijke overname van (een deel van) het noodzakelijk DAEB-bezit door regiocorporaties, de continuering van de noodzakelijke DAEB-werkzaamheden niet is gewaarborgd, kan door de noodlijdende toegelaten instelling een aanvraag tot saneringssubsidie worden gedaan bij de saneerder. De noodlijdende toegelaten instelling komt enkel voor saneringssubsidie in aanmerking indien is voldaan aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 112, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van het Btiv.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel