Naar hoofdinhoud

§ 2

Artikel 3

Verlenen rechten in Grevelingen- en Veerse meer

Onderdeel van Beleidsregel uitgifte rechten schelpdieren· Agrarisch recht

Deze tekst geldt sinds 16 juli 2026

1. De Minister verleent alleen een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in artikel 11 van het Reglement voor de Binnenvisserij 1985, indien: de visserijactiviteit geen bestaande rechtmatige visserijactiviteiten beperkt; de aanvrager een projectplan indient waarin ten minste is opgenomen welke activiteit op welke locatie zal plaatsvinden; de visserijactiviteit niet plaatsvindt in een gebied waar: scheepvaartroutes liggen; vaargeulbeheer plaatsvindt; zandsuppleties zijn gepland; kabels en leidingen liggen; of oefenterreinen van het Ministerie van Defensie liggen. de effecten op de natuur en nabijgelegen locaties en, indien de activiteit een vervolg is op een experiment, de uitkomsten van het experiment in een monitoringsplan in kaart zijn gebracht; en de visserijactiviteit niet of nauwelijks leidt tot een belemmering van ander gebruik en het beheer van het gebied waar de activiteit verricht wordt. 2. De Minister betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor de rechten, genoemd in het eerste lid, de wenselijkheid van de voorgenomen visserijactiviteit gelet op: de verbondenheid van de sector in het betreffende gebied waar de aanvrager toebehoort met de voorgenomen visserijactiviteit; of de sociaaleconomische positie van deze sector. 3. De Minister beslist voor 1 maart op een aanvraag die is ingediend voor het einde van het vorige jaar en voor 1 september op een aanvraag die is ingediend voor 1 juli van het desbetreffende jaar. 4. Naar gelang er fysieke en ecologische ruimte is, worden de rechten, bedoeld in het eerste lid, als volgt verleend: op volgorde van rangschikking van deze aanvragen op basis van het tweede lid; bij gelijke rangschikking op grond van onderdeel a, beslist de Minister over de gelijk gerangschikte aanvragen door middel van loting. 5. De Minister kan de rechten, bedoeld in het eerste lid, aan het einde van de periode waarvoor het recht is verleend ambtshalve verlengen, doch ten hoogste totdat een periode van twaalf jaar vanaf de eerste verlening is bereikt. 6. Een aanvraag voor een nieuwe periode na de maximale periode genoemd in het vijfde lid wordt ten minste een half jaar voor het aflopen van deze periode ingediend. Bij de aanvraag betrekt de Minister het belang dat voortzetting van de activiteiten rechtvaardigt, waaronder reeds gedane investeringen.

Rechtspraak bij dit artikel