Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 6

(aanwijzing kritieke entiteit)

Onderdeel van Wet weerbaarheid kritieke entiteiten· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 15 augustus 2026

1. Bij regeling of besluit van Onze Minister die het aangaat, na overleg met Onze Minister, wordt een entiteit in een sector als bedoeld in de bijlage van deze wet of, indien van toepassing, een sector als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aangewezen als kritieke entiteit indien: zij één of meer essentiële diensten verleent; zij actief is op het grondgebied van Nederland; haar kritieke infrastructuur zich bevindt op het grondgebied van Nederland; en een incident aanzienlijke verstorende effecten zou hebben: op haar verlening van één of meer essentiële diensten; of op haar verlening van andere essentiële diensten in de sectoren, genoemd in de bijlage van deze wet, of, indien van toepassing, de sectoren die zijn aangewezen op grond van artikel 7, eerste lid, die afhankelijk zijn van die diensten. 2. Bij het bepalen of een verstorend effect aanzienlijk is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, houdt Onze Minister die het aangaat rekening met de volgende criteria: het aantal gebruikers dat afhankelijk is van de door de betrokken entiteit verleende essentiële dienst; de mate waarin andere sectoren en subsectoren, genoemd in de bijlage van deze wet, en, indien van toepassing, andere sectoren en subsectoren die zijn aangewezen op grond van artikel 7, eerste lid, afhankelijk zijn van de betrokken essentiële dienst; de ernst en duur van de gevolgen die incidenten kunnen hebben voor economische en maatschappelijke activiteiten, het milieu, de openbare veiligheid en beveiliging, of de volksgezondheid; het marktaandeel van de entiteit op de markt voor de betrokken essentiële dienst; het geografische gebied dat door een incident kan worden getroffen, met inbegrip van eventuele grensoverschrijdende gevolgen, rekening houdend met de kwetsbaarheid die samenhangt met de mate van isolatie van bepaalde soorten geografische gebieden, zoals insulaire regio’s, afgelegen regio’s of bergachtige gebieden; en het belang van de entiteit om de essentiële dienst op een voldoende niveau te houden, rekening houdend met de beschikbare alternatieven voor het verlenen van die essentiële dienst. 3. Bij de toepassing van het eerste lid houdt Onze Minister die het aangaat rekening met de resultaten van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 9, en de strategie, bedoeld in artikel 13. 4. Onze Minister die het aangaat kan na overleg met Onze Minister bij regeling nadere regels stellen over criteria op basis waarvan wordt bepaald of een verstoring aanzienlijk is als bedoeld in het tweede lid. 5. Onze Minister die het aangaat vermeldt bij de aanwijzing van een entiteit als kritieke entiteit welke verplichtingen bij of krachtens deze wet van toepassing zijn op die entiteit en de datum vanaf wanneer die verplichtingen van toepassing zijn, overeenkomstig de artikelen 14, derde lid, 15, vijfde lid, en 17, zevende lid. Indien het de aanwijzing betreft van een entiteit als kritieke entiteit in de sector bankwezen, infrastructuur voor de financiële markt of digitale infrastructuur, genoemd in de bijlage van deze wet, vermeldt Onze Minister die het aangaat tevens welke verplichtingen bij of krachtens deze wet niet van toepassing zijn op die entiteit, overeenkomstig artikel 23. 6. De aanwijzing van een entiteit als kritieke entiteit geschiedt telkens indien hiertoe naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat aanleiding bestaat. 7. Indien de entiteit niet langer voldoet aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, trekt Onze Minister die het aangaat de aanwijzing in en stelt hij de entiteit hiervan in kennis. Ook informeert hij de entiteit erover dat de verplichtingen die van toepassing waren als gevolg van de aanwijzing, vanaf de intrekking van de aanwijzing niet meer van toepassing zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel