Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Voorlopige aanhouding

Onderdeel van Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 15 september 1983

1. In geval van spoed kan elke Verdragsluitende Partij de voorlopige aanhouding verzoeken van ieder die wordt vervolgd of is veroordeeld. Het verzoek tot voorlopige aanhouding kan worden gedaan hetzij langs diplomatieke weg, hetzij in rechtstreeks contact tussen het „Department of Justice" van de Verenigde Staten en het Ministerie van Justitie in Nederland of het Ministerie van Justitie in de Nederlandse Antillen, naar gelang het geval. 2. Het verzoek dient te bevatten: een beschrijving van de gezochte persoon, met inbegrip, indien beschikbaar, van zijn nationaliteit; een kort overzicht van de desbetreffende feiten, met inbegrip, indien mogelijk, van het tijdstip waarop en de plaats waar het feit werd gepleegd; een verklaring betreffende het bestaan van een bevel tot aanhouding van of een veroordelend vonnis tegen die persoon, en een verklaring dat een verzoek tot uitlevering van de gezochte persoon zal volgen. 3. Na ontvangst van een zodanig verzoek neemt de aangezochte Staat de nodige maatregelen met het oog op de aanhouding van de gezochte persoon. Aan de verzoekende Staat wordt onverwijld kennis gegeven van het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. 4. De voorlopige aanhouding wordt beëindigd indien de aangezochte Staat niet binnen 60 dagen na de inhechtenisneming van de gezochte persoon het officiële verzoek tot uitlevering en de in artikel 9 vermelde stukken ter ondersteuning daarvan heeft ontvangen. 5. De beëindiging van de voorlopige aanhouding volgens het vierde lid vormt geen beletsel voor de uitlevering van de opgeëiste persoon indien het verzoek tot uitlevering en de in artikel 9 vermelde documenten ter ondersteuning daarvan op een latere datum worden overgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel