**1.** Een uit hoofde van dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet vervolgd, in hechtenis genomen, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat wegens een ander feit dan dat ter zake waarvan uitlevering is toegestaan, tenzij:
die persoon daarmede schriftelijk instemt ten overstaan van een rechterlijke autoriteit in de verzoekende Staat, na door die rechterlijke autoriteit te zijn ingelicht omtrent zijn rechten;
die persoon het grondgebied van de verzoekende Staat heeft verlaten en vrijwillig daarheen is teruggekeerd;
die persoon het grondgebied van de verzoekende Staat niet heeft verlaten binnen 30 dagen na daartoe de vrijheid te hebben gehad; of
de aangezochte Staat daarmede heeft ingestemd. Hiertoe kan de aangezochte Staat de overlegging verlangen van de in artikel 7 genoemde stukken en verklaringen, met inbegrip van de door de uitgeleverde persoon afgelegde verklaringen met betrekking tot het desbetreffende feit.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op na de uitlevering begane feiten.
**2.** Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon is uitgeleverd op een later tijdstip wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of veroordeeld, mits het delict in zijn nieuwe omschrijving:
in wezen is gebaseerd op dezelfde feiten als zijn vervat in het verzoek om uitlevering of in de stukken ter ondersteuning daarvan; en
met dezelfde maximumstraf is bedreigd als, of met een lagere maximumstraf dan, het feit waarvoor de persoon werd uitgeleverd.
Artikel 14
Specialiteitsbeginsel
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake uitlevering· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 1 december 1991