Een uit hoofde van dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet verdergeleverd aan een derde Staat zonder de instemming van de aangezochte Staat, behalve in de in artikel 14, eerste lid, onder de letters a, b en c bedoelde gevallen. De aangezochte Staat kan de overlegging verlangen van de stukken die van de derde Staat zijn ontvangen ter ondersteuning van diens verzoek om uitlevering op een later tijdstip, alsmede van door de uitgeleverde persoon ter zake afgelegde verklaringen.
Artikel 15
Verderlevering aan een derde Staat
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake uitlevering· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 1 december 1991