Naar hoofdinhoud

Artikel IV

Sensoren

Onderdeel van Verdrag inzake het Open Luchtruim· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2002

1. Tenzij anders is bepaald in het derde lid van dit artikel, is een observatievliegtuig slechts uitgerust met sensoren van de volgende categorieën: optische panorama- en fotocamera's; videocamera's met directe weergave; infrarood-lijnaftasttoestellen, en zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur. 2. Een Staat-Partij kan ten behoeve van het uitvoeren van observatievluchten elk van de in het eerste lid genoemde sensoren gebruiken, mits die sensoren voor alle Staten-Partijen in de handel verkrijgbaar zijn en de volgende prestatielimieten in acht worden genomen: bij optische panorama- en fotocamera's, een grondresolutie van niet beter dan 30 centimeter op de in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D, Aanhangsel 1, vastgestelde minimumhoogte boven de grond, verkregen met ten hoogste één panorama- camera, één verticaal geïnstalleerde fotocamera en twee schuin geïnstalleerde fotocamera's, één aan weerszijden van het vliegtuig, die aan weerszijden van de vliegbaan van het vliegtuig een gronddekking tot 50 kilometer mogelijk maken, die niet continu behoeft te zijn; bij videocamera's, een grondresolutie van niet beter dan 30 centimeter, verkregen op de laagste minimumhoogte boven de grond bij één van de in letter A van dit lid genoemde optische camera's; bij infrarood-lijnaftasttoestellen, een grondresolutie van niet beter dan 50 centimeter op de in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D, Aanhangsel 1, vastgestelde minimumhoogte boven de grond, verkregen met één toestel; en bij zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur, een grondresolutie van niet beter dan drie meter, berekend door middel van de impulsresponsmethode, die, met toepassing van de objectscheidingsmethode, overeenkomt met het vermogen om op een radarbeeld twee hoekreflectoren te onderscheiden, waarvan de middelpunten ten minste vijf meter uit elkaar liggen, zulks over een strookbreedte van ten hoogste 25 kilometer, verkregen met één radareenheid die aan weerszijden van het vliegtuig kan worden ingesteld, doch niet aan beide zijden tegelijk. 3. De invoering van extra categorieën sensoren en verbeteringen van het vermogen van de bestaande categorieën sensoren als genoemd in dit artikel zal worden besproken door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie in overeenstemming met artikel X van dit Verdrag. 4. Alle sensoren dienen te zijn voorzien van apertuurkappen of andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen, teneinde te voorkomen dat gegevens worden verzameld gedurende de transitvluchten of de vluchten naar de punten van binnenkomst of vanaf de punten van vertrek boven het grondgebied van de geobserveerde Partij. Deze kappen of andere richtingen dienen slechts van buiten het observatievliegtuig te kunnen worden verwijderd of bediend. 5. Apparatuur die de door de sensoren verzamelde gegevens van verklarende aantekeningen kan voorzien in overeenstemming met Bijlage B, Afdeling II, is toegestaan aan boord van het observatievliegtuig. De Staat-Partij die het observatievliegtuig voor een observatievlucht ter beschikking stelt, voorziet de door de sensoren verzamelde gegevens van de verklarende aantekeningen als bedoeld in Afdeling II van Bijlage B bij dit Verdrag. 6. Apparatuur die de door de sensoren verzamelde gegevens direct kan weergeven, is toegestaan aan boord van het observatievliegtuig om de werking en de bediening van de sensoren tijdens het uitvoeren van een observatievlucht te kunnen controleren. 7. Behalve indien het bedienen van toegelaten sensoren of het vliegen met het observatievliegtuig zulks vereist of indien zulks is bepaald in het vijfde en zesde lid van dit artikel, is het verzamelen, verwerken, doorgeven of registreren van elektronische signalen van elektromagnetische golven aan boord van het observatievliegtuig verboden en is het niet toegestaan apparatuur hiervoor aan boord van het observatievliegtuig te hebben. 8. Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, heeft de observerende Partij het recht een observatievliegtuig te gebruiken dat is uitgerust met sensoren van elke categorie sensoren die het in het tweede lid van dit artikel omschreven prestatievermogen niet te boven gaan. 9. Ingeval het voor een observatievlucht gebruikte observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, is de geobserveerde Partij verplicht een observatievliegtuig ter beschikking te stellen dat is uitgerust met sensoren van elke in het eerste lid van dit artikel genoemde categorie sensoren, met het grootste vermogen en in de aantallen als genoemd in het tweede lid van dit artikel, met inachtneming van de bepalingen van artikel XVIII, Afdeling II, tenzij de observerende en geobserveerde Partij anders zijn overeengekomen. De behuizing en opstelling van die sensoren dienen zodanig te zijn, dat de in het tweede lid van dit artikel voorgeschreven gronddekking kan worden bereikt. Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, stelt laatstgenoemde Partij een zijwaarts gerichte radar met synthetische apertuur ter beschikking met een grondresolutie van niet slechter dan zes meter, bepaald aan de hand van de objectscheidingsmethode. 10. Elke Staat-Partij stelt, wanneer een vliegtuig overeenkomstig artikel V van dit Verdrag als observatievliegtuig wordt aangewezen, alle andere Staten-Partijen in kennis van de in Bijlage B bij dit Verdrag bedoelde technische gegevens betreffende elke sensor die aan boord van dat vliegtuig is aangebracht. 11. Elke Staat-Partij heeft het recht deel te nemen aan de certificering van aan boord van een observatievliegtuig aangebrachte sensoren in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D. Een observatievliegtuig van een bepaald type mag niet voor observatievluchten worden gebruikt voordat dit type observatievliegtuig en de sensoren daarvan zijn gecertificeerd in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D bij dit Verdrag. 12. Een Staat-Partij die een vliegtuig als observatievliegtuig aanwijst, heeft, mits hij 90 dagen van tevoren alle andere Staten-Partijen daarvan in kennis stelt en met inachtneming van de bepalingen van Bijlage D bij dit Verdrag, het recht hetzij sensoren te verwijderen, te vervangen of toe te voegen, hetzij de in overeenstemming met de bepalingen van het tiende lid van dit artikel en Bijlage B bij dit Verdrag verstrekte technische gegevens te wijzigen. Vervangende of toegevoegde sensoren dienen te worden gecertificeerd in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D bij dit Verdrag alvorens tijdens een observatievlucht te worden gebruikt. 13. Ingeval een Staat-Partij of groep Staten-Partij en op grond van zijn ervaring met het gebruik van een bepaald type observatievliegtuig, van oordeel is dat een aan boord van een vliegtuig aangebrachte sensor of de bijbehorende apparatuur niet overeenstemt met de overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D gecertificeerde exemplaren, stellen de betrokken Staten-Partijen alle andere Staten-Partijen in kennis van hun bedenkingen. De Staat-Partij die het vliegtuig heeft aangewezen: onderneemt de nodige stappen om te verzekeren dat de aan boord van een observatievliegtuig aangebrachte sensor en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met de overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D gecertificeerde exemplaren, onder andere door, indien nodig, de bepaalde sensor of de bijbehorende apparatuur te repareren, bij te stellen of te vervangen; en toont op verzoek van een belanghebbende Staat-Partij aan, door middel van een demonstratievlucht, in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage F, te houden bij de volgende gelegenheid dat bedoeld observatievliegtuig wordt gebruikt, dat de aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensor en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met de overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D gecertificeerde exemplaren. Andere Staten-Partijen die bedenkingen uiten met betrekking tot een aan boord van een observatievliegtuig aangebrachte sensor en de bijbehorende apparatuur, zijn gerechtigd personeel te zenden om aan een zodanige demonstratievlucht deel te nemen. 14. Ingeval, nadat de in het dertiende lid van dit artikel bedoelde stappen zijn ondernomen, de Staten-Partijen blijven betwijfelen of de aan boord van een observatievliegtuig aangebrachte sensor of de bijbehorende apparatuur overeenstemt met de overeenkomstig de bepaling van Bijlage D gecertificeerde exemplaren, kan de kwestie worden voorgelegd aan de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie.

Rechtspraak bij dit artikel