**1.** Observatievluchten worden uitgevoerd met observatievliegtuigen die overeenkomstig artikel V door een Staat-Partij zijn aangewezen. Tenzij de geobserveerde Partij gebruik maakt van haar recht een door haarzelf aangewezen observatievliegtuig ter beschikking te stellen, heeft de observerende Partij het recht het observatievliegtuig ter beschikking te stellen. Ingeval de observerende Partij het observatievliegtuig ter beschikking stelt, heeft deze het recht een door haarzelf aangewezen vliegtuig of een door een andere Staat-Partij aangewezen vliegtuig ter beschikking te stellen. Ingeval de geobserveerde Partij het observatievliegtuig ter beschikking stelt, heeft de observerende Partij het recht te beschikken over een vliegtuig dat in staat is met volle tanks, met inbegrip van de nodige brandstofreserves, zonder bijtanken een minimumafstand af te leggen die gelijk is aan de helft van de maximale vliegafstand die voor de geobserveerde Partij geldt, waarvan kennisgeving is gedaan overeenkomstig het vijfde lid, letter G, van deze Afdeling.
**2.** Elke Staat-Partij heeft het recht, overeenkomstig het eerste lid van deze Afdeling, een observatievliegtuig te gebruiken dat door een andere Staat-Partij voor observatievluchten is aangewezen. Door de betrokken Staten-Partijen worden regelingen inzake het gebruik van bedoelde vliegtuigen opgesteld, teneinde actieve deelneming aan het „open luchtruim"-regime mogelijk te maken.
**3.** Staten-Partijen die het recht hebben observatievluchten uit te voeren, kunnen hun plannen voor het uitvoeren van observatievluchten coördineren in overeenstemming met Bijlage H bij dit Verdrag. Een Staat-Partij is niet verplicht meer dan één observatievlucht te dulden op enig tijdstip gedurende het in het negende lid van deze Afdeling genoemde tijdvak van 96 uur, tenzij die Staat-Partij heeft verzocht om een demonstratievlucht overeenkomstig Bijlage F bij dit Verdrag. In dat geval is de geobserveerde Partij verplicht een overlapping van de observatievluchten tot ten hoogste 24 uur te aanvaarden. Na in kennis te zijn gesteld van de resultaten van de coördinatie van de plannen tot het uitvoeren van observatievluchten, stelt elke Staat-Partij over het grondgebied waarvan observatievluchten zullen worden uitgevoerd andere Staten-Partijen overeenkomstig de bepalingen van Bijlage H ervan in kennis of hij met betrekking tot een bepaalde observatievlucht al dan niet gebruik maakt van zijn recht zijn eigen observatievliegtuig ter beschikking te stellen.
**4.** Uiterlijk 90 dagen na ondertekening van dit Verdrag stelt elke Staat-Partij alle andere Staten-Partijen in kennis van:
het nummer van de permanente diplomatieke toestemming voor „open luchtruim"-observatievluchten, vluchten van transportvliegtuigen en transitvluchten;
welke taal of talen van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie als genoemd in Afdeling I, paragraaf 7, van Bijlage L, bij dit Verdrag door het personeel zal worden gebruikt voor alle werkzaamheden in verband met het uitvoeren van observatievluchten boven zijn grondgebied en voor het opstellen van het missieplan en het missierapport, tenzij de te gebruiken taal de taal is die wordt aanbevolen in Bijlage 10 bij het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, band II, paragraaf 5.2.1.1.2.
**5.** De observerende Partij stelt de geobserveerde Partij in kennis van haar voornemen een observatievlucht uit te voeren, zulks ten minste 72 uur vóór het verwachte tijdstip van aankomst van de observerende Partij op het punt van binnenkomst van de geobserveerde Partij. Staten-Partijen die bedoelde kennisgevingen doen, stellen alles in het werk om te vermijden dat de voor de kennisgeving in acht te nemen minimumtermijn in een weekeinde valt. Bedoelde kennisgeving dient te omvatten:
het gewenste punt van binnenkomst en, indien van toepassing, het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht aanvangt;
de datum en het verwachte tijdstip van aankomst van de observerende Partij op het punt van binnenkomst en de datum en het verwachte tijdstip van vertrek van de vlucht vanaf het punt van binnenkomst naar het „open luchtruim"-vliegveld, indien van toepassing onder vermelding van specifieke accommodatiebehoeften;
de plaats, genoemd in Bijlage E, Aanhangsel 1, waar de uitvoering van de aan de vlucht voorafgaande inspectie wordt verlangd en de datum en het tijdstip van aanvang van bedoelde aan de vlucht voorafgaande inspectie in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage F;
het vervoermiddel en, indien van toepassing, het type en model transportvliegtuig waarmee naar het punt van binnenkomst zal worden gereisd ingeval het observatievliegtuig dat voor de observatievlucht wordt gebruikt, door de geobserveerde Partij ter beschikking wordt gesteld;
het nummer van de diplomatieke toestemming voor de observatievlucht of voor de vlucht van het transportvliegtuig dat wordt gebruikt om personeel te vervoeren van en naar het grondgebied van de geobserveerde Partij ter uitvoering van een observatievlucht;
de kenmerken van het observatievliegtuig, als omschreven in Bijlage C;
de afstand van de observatievlucht, bij benadering; en
de namen van de leden van het personeel, hun geslacht, geboortedatum en -plaats, paspoortnummer en de Staat-Partij die het paspoort heeft afgegeven, alsmede hun functie.
**6.** De geobserveerde Partij die in overeenstemming met het vijfde lid van deze Afdeling in kennis wordt gesteld, bevestigt de ontvangst van de kennisgeving binnen 24 uur. Ingeval de geobserveerde Partij gebruik maakt van haar recht het observatievliegtuig ter beschikking te stellen, omvat de ontvangstbevestiging de in het vijfde lid, letter F, van deze Afdeling bedoelde gegevens over het observatievliegtuig. Het is de observerende Partij toegestaan op het punt van binnenkomst aan te komen op het verwachte tijdstip van aankomst als bekendgemaakt in overeenstemming met het vijfde lid van deze Afdeling. Het verwachte tijdstip van vertrek van de vlucht vanaf het punt van binnenkomst naar het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht zal aanvangen, alsmede de plaats, de datum en het tijdstip van aanvang van de aan de vlucht voorafgaande inspectie dienen te worden bevestigd door de geobserveerde Partij.
**7.** Het personeel van de observerende Partij mag overeenkomstig artikel XIII door andere Staten-Partijen aangewezen personeel omvatten.
**8.** De observerende Partij stelt wanneer zij, in overeenstemming met het vijfde lid van de Afdeling, kennisgeving doet aan de geobserveerde Partij tegelijkertijd alle andere Staten-Partijen in kennis van haar voornemen de observatievlucht uit te voeren.
**9.** Het tijdvak tussen het verwachte tijdstip van aankomst op het punt van binnenkomst en de voltooiing van de observatievlucht mag niet langer zijn dan 96 uur, tenzij anders is overeengekomen. Ingeval de geobserveerde Partij om een demonstratievlucht verzoekt overeenkomstig Bijlage F bij het Verdrag, dient zij het tijdvak van 96 uur te verlengen overeenkomstig Bijlage F, Afdeling III, paragraaf 4, indien de extra tijd door de observerende Partij wordt verlangd voor de onbelemmerde uitvoering van het missieplan.
**10.** Na aankomst van het observatievliegtuig op het punt van binnenkomst inspecteert de geobserveerde Partij de kappen van de sensoraperturen of andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen, teneinde zich ervan te vergewissen dat deze op de juiste wijze zijn aangebracht overeenkomstig Bijlage E, tenzij door alle betrokken Staten-Partijen anders is overeengekomen.
**11.** Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, heeft de geobserveerde Partij, na aankomst van het observatievliegtuig op het punt van binnenkomst of op het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht aanvangt, het recht de aan de vlucht voorafgaande inspectie uit te voeren overeenkomstig Bijlage F, Afdeling I. Ingeval in overeenstemming met het eerste lid van deze Afdeling een observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, heeft de observerende Partij het recht de aan de vlucht voorafgaande inspectie van de sensoren uit te voeren overeenkomstig Bijlage F, Afdeling II. Tenzij anders is overeengekomen, eindigen bedoelde inspecties ten minste vier uur vóór de geplande aanvang van de observatievlucht als genoemd in het vliegplan.
**12.** De observerende Partij ziet erop toe dat haar bemanning ten minste één persoon omvat die over de nodige talenkennis beschikt om gemakkelijk te kunnen communiceren met het personeel van de geobserveerde Partij en met de autoriteiten die zijn belast met de luchtverkeersleiding in de taal of talen waarvan door de geobserveerde Partij kennisgeving is gedaan in overeenstemming met het vierde lid van deze Afdeling.
**13.** De geobserveerde Partij verstrekt de bemanning na aankomst op het punt van binnenkomst of op het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht aanvangt, de meest recente informatie over de weersverwachting en de luchtnavigatie, alsmede informatie betreffende de vliegveiligheid, met inbegrip van Berichten aan Luchtvarenden (NOTAM's). Deze informatie wordt op verzoek bijgewerkt. Vlieginstructies en informatie over uitwijkvliegvelden langs de vliegroute worden verstrekt na goedkeuring van het missieplan in overeenstemming met de vereisten van Afdeling II van dit artikel.
**14.** Tijdens de uitvoering van observatievluchten ingevolge dit Verdrag, worden alle observatievliegtuigen gebruikt in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en in overeenstemming met het goedgekeurde vliegplan. Onverminderd de bepalingen van Afdeling II, tweede lid, van dit artikel worden de observatievluchten tevens uitgevoerd in overeenstemming met:
bekendgemaakte normen en aanbevelingen van de ICAO; en
bekendgemaakte nationale regels inzake de luchtverkeersleiding, voorschriften en richtlijnen inzake de vliegveiligheid van de Staat-Partij boven het grondgebied waarvan wordt gevlogen.
**15.** Observatievluchten hebben voorrang boven het gewone luchtverkeer. De geobserveerde Partij ziet erop toe dat haar met de luchtverkeersleiding belaste autoriteiten de uitvoering van observatievluchten in overeenstemming met dit Verdrag vergemakkelijken.
**16.** Aan boord van het vliegtuig is de gezagvoerder de enige die is bekleed met het gezag ter zake van de veilige uitvoering van de vlucht en verantwoordelijk is voor de uitvoering van het vliegplan.
**17.** De geobserveerde Partij stelt ter beschikking:
een ijkdoel dat geschikt is om het vermogen van de sensoren te bevestigen in overeenstemming met de in Afdeling III van Bijlage D bij dit Verdrag uiteengezette procedures, waarboven op verzoek van één van beide Partijen dient te worden gevlogen tijdens de demonstratievlucht of de observatievlucht, zulks voor iedere sensor die tijdens de observatievlucht wordt gebruikt. Het ijkdoel dient te zijn gelegen in de nabijheid van het vliegveld waar de aan de vlucht voorafgaande inspectie wordt uitgevoerd overeenkomstig Bijlage F bij dit Verdrag;
de gebruikelijke aan commerciële vliegtuigen ter beschikking gestelde brandstoffen en onderhoudsdiensten voor het observatievliegtuig of transportvliegtuig op het punt van binnenkomst, op het „open luchtruim"-vliegveld, op een bijtankvliegveld en het punt van vertrek als vermeld in het vliegplan, overeenkomstig de gegevens die over het aangewezen vliegveld zijn bekendgemaakt;
maaltijden en onderdak voor het personeel van de observerende Partij; en
op verzoek van de observerende Partij, andere diensten, als overeen te komen tussen de observerende en de geobserveerde Partij, teneinde het uitvoeren van de observatievlucht te vergemakkelijken.
**18.** Alle kosten verbonden aan de uitvoering van de observatievlucht, met inbegrip van de kosten van de gegevensdragers en de verwerking van de door de sensoren verzamelde gegevens, worden vergoed in overeenstemming met Afdeling I, paragraaf 9, van Bijlage L bij dit Verdrag.
**19.** Vóór het vertrek van het observatievliegtuig van het punt van vertrek vergewist de geobserveerde Partij zich ervan dat de kappen van sensoraperturen of andere inrichtingen die het gebruik van sensoren verhinderen op de juiste wijze zijn aangebracht overeenkomstig Bijlage E bij dit Verdrag.
**20.** Voorzover niet anders is overeengekomen, vertrekt de observerende Partij ten hoogste 24 uur na voltooiing van de observatievlucht van het punt van vertrek, tenzij de weersomstandigheden of de luchtwaardigheid van het observatievliegtuig of het transportvliegtuig zulks niet toelaten, in welk geval de vlucht aanvangt zodra zulks mogelijk is.
**21.** De observerende Partij stelt een missierapport van de observatievlucht in de desbetreffende door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vast te stellen vorm. Het missierapport bevat relevante gegevens over de datum en het tijdstip van de observatievlucht, de route en het profiel ervan, de weersomstandigheden, de tijd- en plaatsaanduiding van elke observatieperiode van elke sensor, bij benadering de door de sensoren verzamelde hoeveelheid gegevens, en de resultaten van de inspectie van de kappen voor sensoraperturen of andere inrichtingen die het gebruik van sensoren verhinderen in overeenstemming met artikel VII en Bijlage E. Het missierapport wordt ondertekend door de observerende en de geobserveerde Partij op het punt van vertrek en wordt door de observerende Partij aan alle andere Staten-Partijen verstrekt binnen zeven dagen na het vertrek van de observerende Partij van het punt van vertrek.
**1.** Tenzij anders is overeengekomen, overhandigt de observerende Partij na aankomst op het „open luchtruim"-vliegveld aan de geobserveerde Partij een missieplan voor de voorgestelde observatievlucht dat voldoet aan de vereisten van het tweede en vierde lid van deze Afdeling.
**2.** Het missieplan kan voorzien in een observatievlucht die observatie mogelijk maakt van elk punt op het gehele grondgebied van de geobserveerde Partij, met inbegrip van gebieden die door de geobserveerde Partij zijn aangewezen als gevaarlijke delen van het luchtruim, vermeld in de in Bijlage I genoemde bron. De vliegbaan van een observatievliegtuig mag de grens met een aangrenzende Staat die geen Staat-Partij is naderen, doch niet dichter dan 10 kilometer.
**3.** Het missieplan kan bepalen dat het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht eindigt, alsmede het punt van vertrek, niet dezelfde zijn als het „open luchtruim"-vliegveld waar de vlucht aanvangt, dan wel het punt van binnenkomst. Het missieplan vermeldt, indien van toepassing, de aanvangstijd van de observatievlucht, de gewenste tijd en plaats van geplande tussenlandingen om bij te tanken of ten behoeve van rustperioden, en het tijdstip van voortzetting van de observatievlucht na een tussenlanding of rustperiode binnen het in Afdeling I, negende lid, van dit artikel genoemde tijdvak van 96 uur.
**4.** Het missieplan bevat alle benodigde informatie voor het indienen van het vliegplan en bepaalt dat:
de observatievlucht de desbetreffende maximale vliegafstand als genoemd in Bijlage A, Afdeling I, niet overschrijdt;
de route en het profiel van de observatievlucht voldoen aan de bepalingen inzake de veiligheid van de observatievluchten overeenkomstig de normen en aanbevelingen van de ICAO, rekening houdend met bestaande verschillen in nationale regels ter zake van vluchten, zulks onverminderd de bepalingen van het tweede lid van deze Afdeling;
in het missieplan rekening wordt gehouden met informatie over gevaarlijke delen van het luchtruim, verstrekt in overeenstemming met Bijlage I;
de hoogte boven de grond van het observatievliegtuig de observerende Partij niet toestaat de voor elke sensor geldende limiet voor de grondresolutie, als genoemd in artikel IV, tweede lid, te overschrijden;
de verwachte aanvangstijd van de observatievlucht ten vroegste 24 uur na de indiening van het missieplan valt, tenzij anders is overeengekomen;
het observatievliegtuig een rechtstreekse route aflegt tussen de in het missieplan aangewezen coördinaten of navigatiepunten in de opgegeven volgorde; en
de vliegbaan hetzelfde punt niet vaker dan eenmaal kruist, tenzij anders is overeengekomen, en het observatievliegtuig niet om één enkel punt cirkelt, tenzij anders is overeengekomen. De bepalingen van deze letter zijn niet van toepassing op het opstijgen, het vliegen boven ijkdoelen en het landen van het observatievliegtuig.
**5.** Ingeval het door de observerende Partij ingediende missieplan voorziet in vluchten door gevaarlijke delen van het luchtruim, dient de geobserveerde Partij:
het gevaar voor het observatievliegtuig aan te geven;
het uitvoeren van de observatievlucht te vergemakkelijken door de ingevolge letter A van dit lid aangegeven activiteit te coördineren of op te schorten; of
een andere vlieghoogte, route of tijd voor te stellen.
**6.** Uiterlijk vier uur na de indiening van het missieplan aanvaardt de geobserveerde Partij het missieplan of stelt zij wijzigingen daarvan voor in overeenstemming met artikel VIII, Afdeling I, vierde lid, en het vijfde lid van deze Afdeling. Deze wijzigingen mogen niet de observatie onmogelijk maken van enig punt op het gehele grondgebied van de geobserveerde Partij, met inbegrip van gebieden die door de geobserveerde Partij zijn aangewezen als gevaarlijke delen van het luchtruim, vermeld in de in Bijlage I bij dit Verdrag genoemde bron. Na het bereiken van overeenstemming wordt het missieplan ondertekend door de observerende en de geobserveerde Partij. Ingeval de Partijen binnen acht uur na indiening van het oorspronkelijke missieplan geen overeenstemming bereiken over het missieplan, heeft de observerende Partij het recht af te zien van de uitvoering van de observatievlucht in overeenstemming met de bepalingen van artikel VIII van dit Verdrag.
**7.** Indien de geplande route van de observatievlucht in de nabijheid ligt van de grens van andere Staten-Partijen of andere Staten, stelt de geobserveerde Partij die Staat of Staten in kennis van de verwachte route, datum en tijd van de observatievlucht.
**8.** Op basis van het overeengekomen missieplan dient de Staat-Partij die het observatievliegtuig ter beschikking stelt, in overleg met de andere Staat-Partij, onmiddellijk het vliegplan in, waarvan de inhoud overeenstemt met Bijlage 2 bij het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart en waarvan de vorm overeenstemt met ICAO-document nr. 4444-RAC/501, „Rules of the Air and Air Traffic Services", zoals herzien of gewijzigd.
**1.** Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, heeft de geobserveerde Partij het recht twee vluchtwaarnemers en een tolk aan boord van het observatievliegtuig te hebben, naast een vluchtwaarnemer voor elke bedieningspost voor sensoren aan boord van het observatievliegtuig, tenzij anders is overeengekomen. Vluchtwaarnemers en tolken hebben de in Bijlage G bij dit Verdrag omschreven rechten en plichten.
**2.** Niettegenstaande het eerste lid van deze Afdeling is de observerende Partij, ingeval deze een observatievliegtuig gebruikt dat bij het opstijgen een maximum-brutogewicht van ten hoogste 35.000 kilogram heeft bij een observatievlucht over een afstand van ten hoogste 1.500 kilometer, als bekendgemaakt in overeenstemming met Afdeling I, vijfde lid, letter F, van dit artikel, slechts verplicht twee vluchtwaarnemers en een tolk toe te laten aan boord van het observatievliegtuig, tenzij anders is overeengekomen.
**3.** Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, staat deze het personeel van de observerende Partij toe op de snelste manier naar het punt van binnenkomst van de geobserveerde Partij te reizen. Het personeel van de observerende Partij heeft de keuze over land, over zee of door de lucht, onder meer per vliegtuig van ongeacht welke Staat-Partij, naar het punt van binnenkomst te reizen. Procedures betreffende deze reis zijn uiteengezet in Bijlage E bij dit Verdrag.
**4.** Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, heeft de observerende Partij het recht twee vluchtvertegenwoordigers en een tolk aan boord van het observatievliegtuig te hebben, naast een vluchtvertegenwoordiger voor elke bedieningspost voor sensoren aan boord van het vliegtuig, tenzij anders is overeengekomen. Vluchtvertegenwoordigers en tolken hebben de in Bijlage G bij dit Verdrag omschreven rechten en plichten.
**5.** Ingeval de observerende Partij een observatievliegtuig ter beschikking stelt dat is aangewezen door een andere Staat-Partij dan de observerende en de geobserveerde Partij, heeft de observerende Partij het recht twee vertegenwoordigers en een tolk aan boord van het observatievliegtuig te hebben, naast een vertegenwoordiger voor elke bedieningspost voor sensoren aan boord van het vliegtuig, tenzij anders is overeengekomen. In dat geval zijn de in het eerste lid van deze Afdeling uiteengezette bepalingen inzake vluchtwaarnemers eveneens van toepassing. Vertegenwoordigers en tolken hebben de in Bijlage G bij dit Verdrag omschreven rechten en plichten.
Artikel VI
Keuze van de observatievliegtuigen, algemene bepalingen voor het uitvoeren van observatievluchten en vereisten betreffende het missieplan
Onderdeel van Verdrag inzake het Open Luchtruim· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2002