Naar hoofdinhoud
1. Een geschil tussen de ene Overeenkomstsluitende Partij en een investeerder van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreffende de gevolgen van een door de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij genomen maatregel ten aanzien van de wezenlijke aspecten verbonden aan de bedrijfsvoering, zoals de maatregelen genoemd in artikel 5 van deze Overeenkomst of de overmaking van gelden genoemd in artikel 4 van deze Overeenkomst, wordt voor zover mogelijk in der minne tussen de beide betrokken partijen geschikt. 2. Indien zulk een geschil niet kan worden beslecht binnen zes maanden vanaf de datum waarop een van de partijen om een minnelijke schikking heeft verzocht, zal het op verzoek van de investeerder worden voorgelegd aan een scheidsgerecht. In dit geval worden de bepalingen van artikel 12, derde tot en met negende lid, mutatis mutandis toegepast. Evenwel wordt de Voorzitter van het Arbitrage-instituut van het scheidsgerecht van de Kamer van Koophandel in Stockholm verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. 3. Ingeval beide Overeenkomstsluitende Partijen lid zijn geworden bij het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten van 18 maart 1965, worden geschillen tussen een van de Overeenkomstsluitende Partijen en de investeerder van de andere Overeenkomstsluitende Partij, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel ter beslechting door middel van conciliatie of arbitrage voorgelegd aan het Internationaal Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel