Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK I

Artikel 2

Werkingssfeer

Onderdeel van Europees Verdrag inzake cinematografische coproduktie· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 1995

1. Dit Verdrag regelt de betrekkingen tussen de Partijen op het gebied van multilaterale coprodukties die hun oorsprong vinden op het grondgebied van de Partijen. 2. Dit Verdrag is van toepassing: op coprodukties waarbij ten minste drie coproducenten zijn betrokken die zijn gevestigd in drie verschillende Partijen bij het Verdrag; en op coprodukties waarbij ten minste drie coproducenten zijn betrokken die zijn gevestigd in drie verschillende Partijen bij het Verdrag en één of meer coproducenten die niet in deze Partijen zijn gevestigd. De totale inbreng van de coproducenten die niet in de Partijen bij het Verdrag zijn gevestigd mag echter niet meer bedragen dan 30% van de totale kosten van de produktie. In alle gevallen is dit Verdrag slechts van toepassing op voorwaarde dat het in coproduktie gemaakte werk voldoet aan de definitie van een Europees cinematografisch werk als omschreven in artikel 3, derde lid. 3. De bepalingen van bilaterale verdragen, gesloten tussen de Partijen bij dit Verdrag, blijven van toepassing op bilaterale coprodukties. In geval van multilaterale coprodukties hebben de bepalingen van dit Verdrag voorrang boven die van bilaterale verdragen tussen de Partijen bij het Verdrag. De bepalingen betreffende bilaterale coprodukties blijven van kracht indien zij niet in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag. 4. Bij gebreke van een verdrag waarin de bilaterale betrekkingen ter zake van coprodukties tussen twee Partijen bij dit Verdrag zijn geregeld, is het Verdrag ook van toepassing op bilaterale coprodukties, tenzij door één van de betrokken Partijen een voorbehoud is gemaakt ingevolge artikel 20.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel