Naar hoofdinhoud
1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder overmacht verstaan elke vreemde oorzaak welke niet te wijten is aan de schuld van de Partij die zich op overmacht beroept en naar in het verkeer geldende opvattingen niet voor haar rekening komt, waarvan zij de gevolgen niet kon voorkomen of vermijden (in acht genomen de diligentie die men redelijkerwijs van haar kan verwachten), en welke haar tijdelijk of definitief verhindert om één of meer van haar verbintenissen ingevolge dit Verdrag uit te voeren. 2. Een Partij kan zich slechts op overmacht beroepen indien zij, binnen 60 dagen na kennis te hebben gekregen van de relevante gebeurtenis of omstandigheid, de andere Partij daarvan schriftelijk op de hoogte stelt. Deze kennisgeving leidt tot een spoedoverleg in het Opvolgingscomité, dat de situatie zal evalueren en, binnen 90 dagen na die kennisgeving, zijn analyse en aanbevelingen zal formuleren ten behoeve van de Ministers. De Ministers streven ernaar een evenwichtige regeling uit te werken die vooralsnog toelaat om de doelstellingen van dit Verdrag onder zo goed mogelijke condities te verwezenlijken. 3. Zolang zij aanhoudt, schorst overmacht de uitvoering van de betreffende verbintenis en correlatieve verbintenissen. Tenzij de Ministers er anders over beslissen, worden de in of krachtens dit Verdrag bepaalde uitvoeringstermijnen voor die verbintenissen verlengd met de duur van de schorsing ingevolge overmacht. Deze schorsing geeft geen aanleiding tot schadeloosstelling. 4. Zo overmacht de uitvoering van één of meer verbintenissen ingevolge de artikelen 2 tot en met 5 definitief verhindert en de Ministers niet binnen 90 dagen na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde rapport van het Opvolgingscomité overeenstemming hebben bereikt over een regeling zoals bedoeld in het tweede lid, kan elke Partij gedurende een verdere periode van 90 dagen dit Verdrag beëindigen door een schriftelijke kennisgeving in die zin aan de andere Partij (voor zover de overmacht aanhoudt op het tijdstip van deze kennisgeving). Beëindiging van dit Verdrag ingevolge overmacht geeft geen aanleiding tot schadeloosstelling, behalve zoals bepaald in het vijfde lid. 5. In geval van beëindiging van dit Verdrag ingevolge overmacht zal België het deel van de overeenkomstig artikel 4 ontvangen sommen dat alsdan nog niet is besteed aan de Hogesnelheidslijn, restitueren aan Nederland. Het betreffend bedrag zal worden bepaald aan de hand van de volgende formule: S * (l – r) waar: S = het totaal van de overeenkomstig artikel 4 door België ontvangen sommen (in Nederlandse gulden), vermeerderd met interest tegen AIBOR vanaf de datum van effectieve ontvangst tot de datum van restitutie r = de Realisatie-index op de datum van beëindiging van dit Verdrag, dan wel, zo België dit naar redelijkheid en billijkheid kan aantonen volgens de reële stand van uitvoering der aanbestedingen en werken, de hogere graad van aanwending van de overeenkomstig artikel 4 ontvangen sommen op hetzelfde tijdstip (eveneens uitgedrukt als een getal tussen 0 en 1, op vier decimalen).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel