Naar hoofdinhoud

DEEL I › HOOFDSTUK A

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verdrag inzake de deelneming van buitenlanders aan het openbare leven op plaatselijk niveau· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 1 mei 1997

Iedere Partij verplicht zich ertoe, behoudens de bepalingen van artikel 9, om buitenlandse ingezetenen onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen te waarborgen: het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-, omroep-, bioscoop- of televisie-ondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen. het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van hun belangen. In het bijzonder houdt het recht op vrijheid van vereniging in het recht van buitenlandse ingezetenen om hun eigen plaatselijke verenigingen op te richten ten behoeve van onderlinge bijstand, het behoud en de uiting van hun culturele identiteit of de verdediging van hun belangen met betrekking tot aangelegenheden die de plaatselijke overheid aangaan, alsmede het recht om zich bij een vereniging aan te sluiten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel