**1.** Dit artikel heeft ten doel de wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid van Deelnemende Staten en met hen verbonden lichamen tot stand te brengen in het belang van de bevordering van de deelneming aan de exploratie, de exploitatie en het gebruik van de kosmische ruimte door middel van het ruimtestation. Om dit doel te bereiken dient deze wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid ruim te worden uitgelegd.
**2.** Voor de toepassing van dit artikel:
wordt onder „Deelnemende Staat” ook het Samenwerkend Orgaan van die Staat verstaan, alsmede enigerlei orgaan dat in het Memorandum van Overeenstemming tussen de NASA en de Regering van Japan wordt aangewezen om het Samenwerkend Orgaan van Japan bij te staan bij de uitvoering van dat Memorandum,
wordt onder „met hem verbonden lichaam” verstaan:
een aannemer of een onderaannemer van een Deelnemende Staat, ongeacht op welk niveau;
een gebruiker of een cliënt van een Deelnemende Staat, ongeacht op welk niveau; of
een aannemer of een onderaannemer van een gebruiker of cliënt van een Deelnemende Staat, ongeacht op welk niveau.
Het in deze letter bepaalde kan eveneens worden toegepast op een Staat, of een orgaan of instelling van een Staat die dezelfde betrekking tot een Deelnemende Staat heeft als beschreven in het tweede lid, letter b, onder 1), 2) en 3), of die anderszins betrokken is bij de uitvoering van beschermde ruimte-exploitatie als omschreven in letter f hieronder.
De begrippen „aannemer” en „onderaannemer” omvatten leveranciers van enigerlei aard.
wordt onder „schade” verstaan:
lichamelijk letsel toegebracht aan een persoon, of enige andere aantasting van de gezondheid, dan wel het overlijden van een persoon;
schade aan enigerlei eigendommen, het verlies, dan wel het verlies van het gebruik daarvan;
het verlies van inkomsten of winsten; of
andere directe, indirecte of bijkomende schade.
wordt onder „lanceervoertuig” verstaan een voorwerp (of een gedeelte daarvan) bestemd voor lancering, vanaf de aarde gelanceerd, of naar de aarde terugkerend dat nuttige ladingen of personen, of beide, vervoert.
wordt onder „nuttige lading” verstaan alle zaken bestemd om te worden vervoerd of gebruikt in of op een lanceervoertuig of het ruimtestation.
wordt onder „beschermde ruimte-exploitatie” verstaan: alle activiteiten met betrekking tot een lanceervoertuig, het ruimtestation of nuttige ladingen op aarde, in de kosmische ruimte of tussen de aarde en de kosmische ruimte, ter toepassing van dit Verdrag, de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen. Het omvat, maar is niet beperkt tot:
het onderzoek, het ontwerp, de ontwikkeling, de beproeving, de vervaardiging, de assemblage, de integratie, de exploitatie of het gebruik van lanceervoertuigen of voertuigen voor transport in de ruimte, van het ruimtestation, of van een nuttige lading, alsmede van hulpmaterieel, voorzieningen en diensten die hiermee verband houden; en
alle activiteiten die betrekking hebben op ondersteunend materieel op aarde, dan wel op beproevings-, opleidings-, simulatie-, of begeleidings- en besturingsmaterieel en hiermee verband houdende voorzieningen of diensten.
Onder „beschermde ruimte-exploitatie” wordt tevens verstaan: alle activiteiten die verband houden met de ontwikkeling van het ruimtestation zoals geregeld in artikel 14. „Beschermde ruimte-exploitatie” behelst niet activiteiten op aarde die na de terugkeer vanaf het ruimtestation worden verricht om een met een nuttige lading verkregen product of procédé verder te ontwikkelen om deze te gebruiken voor andere activiteiten dan die met betrekking tot het ruimtestation ter uitvoering van dit Verdrag.
**3.** Elke Deelnemende Staat stemt in met een wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid, op grond waarvan elke Deelnemende Staat afziet van elke vordering tegen de hieronder in het derde lid, letter a onder (1) tot en met (3) genoemde lichamen of personen wegens schade die het gevolg is van beschermde ruimte-exploitatie. Deze wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid is slechts van toepassing indien de persoon, het lichaam of de zaak die de schade veroorzaakt, is betrokken bij beschermde ruimteexploitatie en de persoon aan wie, dan wel het lichaam of de zaak waaraan de schade is toegebracht, schade lijdt dan wel wordt beschadigd ten gevolge van diens betrokkenheid bij beschermde ruimte-exploitatie. De wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid is van toepassing op vorderingen tot schadevergoeding, ongeacht de rechtsgrond daarvan, tegen:
een andere Deelnemende Staat;
een met een andere Deelnemende Staat verbonden lichaam;
de personen die in dienst zijn bij één van de in het derde lid, letter a, onder (1) en (2) hierboven genoemde lichamen.
Bovendien breidt elke Deelnemende Staat bij overeenkomst of anderszins de wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid, zoals in het derde lid, letter a, hierboven omschreven, uit tot de met hem verbonden lichamen door van hen te verlangen;
dat zij afzien van elke vordering tegen de in het derde lid, letter a onder (1)tot en met (3) hierboven genoemde lichamen of personen; en
dat de met hen verbonden lichamen afzien van elke vordering tegen de in het derde lid, letter a onder (1) tot en met (3) hierboven genoemde lichamen of personen.
Teneinde misverstanden te vermijden: onder deze wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid wordt tevens verstaan een wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid uit hoofde van de Aansprakelijkheidsovereenkomst, wanneer de persoon, het lichaam of de zaak die de schade veroorzaakt, is betrokken bij beschermde ruimte-exploitatie en de persoon aan wie, dan wel het lichaam of de zaak waaraan de schade is toegebracht, schade lijdt dan wel wordt beschadigd ten gevolge van diens betrokkenheid bij beschermde ruimte-exploitatie.
Onverminderd de overige bepalingen van dit artikel, is deze wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid niet van toepassing op:
vorderingen tussen een Deelnemende Staat en een met hem verbonden lichaam of tussen met hem verbonden lichamen;1)Lees: vorderingen van een Deelnemende Staat tegen een met hem verbonden lichaam of van een met een Deelnemende Staat verbonden lichaam tegen die Deelnemende Staat of tegen een ander met die Deelnemende Staat verbonden lichaam.
vorderingen van een natuurlijke persoon, dan wel zijn/haar erfgenamen, nabestaanden of rechtverkrijgenden (behalve wanneer een rechtverkrijgende een Deelnemende Staat is) wegens lichamelijk letsel of andere schade toegebracht aan de gezondheid van die natuurlijke persoon of zijn overlijden;
vorderingen wegens opzettelijk toegebrachte schade;
vorderingen uit hoofde van de intellectuele eigendom;
vorderingen wegens schade als gevolg van het nalaten van een Deelnemende Staat de wederzijdse uitsluiting van aansprakelijk uit te breiden tot de met hem verbonden lichamen, ingevolge het derde lid, letter b, hierboven.
Met betrekking tot het voorgaande derde lid, onder d (2), voldoet de Regering van Japan, ingeval een vordering krachtens subrogatie van de Regering van Japan niet berust op wetgeving inzake schadevergoeding bij ongevallen van overheidspersoneel, aan haar verplichting af te zien van een dergelijke vordering krachtens subrogatie door te verzekeren dat elk overeenkomstig het voorgaande tweede lid, onder a, omschreven hulpverlenend lichaam met inachtneming van artikel 15, tweede lid, en van de in Japan van toepassing zijnde wetten en voorschriften, elk lichaam of persoon genoemd in het voorgaande derde lid, onder a (1) tot en met (3), vrijwaart tegen aansprakelijkheid voortvloeiend uit een dergelijke vordering krachtens subrogatie van de Regering van Japan. Niets in dit artikel belet de Regering van Japan af te zien van de bovenbedoelde vorderingen krachtens subrogatie.
Niets van het bepaalde in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat daarmee de grond ontstaat voor een vordering of een geding die anders niet zou hebben bestaan.
Inwerkingtreding voorheen door Trb. 2002/29 gesteld op 27 maart 2001.
Inwerkingtreding voorheen door Trb. 2002/29 gesteld op 27 maart 2001.
Artikel 16
Wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid
Onderdeel van Verdrag tussen de Regering van Canada, de Regeringen van de Lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap, de Regering van Japan, de Regering van de Russische Federatie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerking op het gebied van het civiele internationale ruimtestation· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 28 juni 2005