**1.** Partijen verbinden zich ertoe dat hun opsporingsdiensten elkaar, met inachtneming van het nationale recht binnen de grenzen van hun bevoegdheden, wederzijds bijstand verlenen ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, voor zover het doen of behandelen van een verzoek naar nationaal recht niet aan de justitiële autoriteiten is voorbehouden en voor het inwilligen van het verzoek door de aangezochte Partij geen dwangmiddelen behoeven te worden toegepast. Wanneer de aangezochte opsporingsdiensten tot de afdoening van een verzoek niet bevoegd zijn, zenden zij dit aan de bevoegde autoriteiten door.
**2.** De schriftelijke inlichtingen die volgens het eerste lid van dit artikel worden verschaft door de Partij die het verzoek ontvangt, mogen niet door de verzoekende Partij gebruikt worden voor andere doeleinden dan voor die welke in het verzoek worden gespecificeerd. De inlichtingen mogen niet als bewijsmateriaal worden gebruikt behalve met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde justitiële autoriteit van de aangezochte Partij. Deze toestemming dient verzocht te worden in overeenstemming met de bepalingen van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, getekend te Straatsburg op 20 april 1959.
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Hongarije betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 1999