In bijzondere gevallen mogen opsporingsdiensten, met inachtneming van hun eigen nationale wetgeving, zonder daartoe een verzoek te hebben ontvangen, de opsporingsdiensten van het andere land inlichtingen doen toekomen, die nuttig kunnen zijn voor dat land om een toekomstig misdrijf te voorkomen of ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Hongarije betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 1999