Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om de veiligheid van de buitenbedrijfstelling van een kerninstallatie zeker te stellen. Deze maatregelen moeten waarborgen dat:
gekwalificeerd personeel en voldoende financiële middelen beschikbaar zijn;
de bepalingen van artikel 24 met betrekking tot bescherming tegen straling tijdens de bedrijfsvoering, lozingen en niet-geplande en ongecontroleerde emissies worden toegepast;
de bepalingen van artikel 25 met betrekking tot de voorbereiding op ongevallen worden toegepast; en
dossiers met belangrijke informatie over de buitenbedrijfstelling worden bewaard.
HOOFDSTUK 4
Artikel 26
Buitenbedrijfstelling
Onderdeel van Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval· Ondernemingspraktijk
Deze tekst geldt sinds 18 juni 2001