Naar hoofdinhoud
1. De autoriteiten van de Bundeswehr kunnen leden van de civiele dienst en andere personen in dienst van de Bundeswehr machtigen tot het bezitten en dragen van wapens indien die personen voor de Bundeswehr bewakings- en beveiligingstaken uitoefenen. 2. De autoriteiten van de Bundeswehr stellen met betrekking tot het gebruik van wapens door de personen die daartoe gemachtigd zijn ingevolge het eerste lid voorschriften vast die in overeenstemming zijn met de Nederlandse wetgeving inzake noodweer (Notwehr). 3. De ingevolge het eerste lid gemachtigde personen mogen uitsluitend vuurwapens bij zich dragen indien zij in het bezit zijn van een verklaring afgegeven door de autoriteiten van de Bundeswehr, dat zij daartoe gerechtigd zijn. Een dienstidentiteitsbewijs voorzien van een desbetreffende aantekening wordt eveneens als een zodanige verklaring beschouwd. 4. De autoriteiten van de Bundeswehr geven deze verklaringen uitsluitend af aan personen omtrent wier betrouwbaarheid redelijkerwijs geen twijfel bestaat. Zij trekken op verzoek van de Nederlandse autoriteiten of op grond van hun eigen beslissing deze verklaringen in, indien is komen vast te staan dat de houder misbruik heeft gemaakt van zijn vuurwapen of indien redelijkerwijs twijfel bestaat ten aanzien van zijn betrouwbaarheid.

Rechtspraak bij dit artikel