Naar hoofdinhoud
1. Indien een bevoegde Nederlandse autoriteit voornemens is één van de in artikel III, vijfde lid, eerste volzin, van het NAVO-Status Verdrag genoemde en aan het Koninkrijk der Nederlanden voorbehouden maatregelen te nemen, stelt die autoriteit de bevoegde Duitse autoriteit van dit voornemen in kennis, onder mededeling van de redenen waarop de voorgenomen maatregel is gebaseerd en stelt die autoriteit in de gelegenheid binnen een redelijke termijn haar standpunt kenbaar te maken dan wel zelf de maatregelen te nemen die zij gepast acht. De Nederlandse autoriteiten nemen het door de Bondsrepubliek Duitsland ingenomen standpunt en de eventueel door haar autoriteiten genomen maatregelen in welwillende overweging. 2. De kennisgeving van het voornemen tot het nemen van één van de maatregelen, bedoeld in artikel III, vijfde lid, van het NAVO-Status Verdrag, wordt gedaan door de bevoegde Nederlandse autoriteit. 3. Verzoeken om verwijdering en uitwijzingsbevelen worden slechts gedaan, onderscheidenlijk gegeven, indien de bevoegde Nederlandse autoriteit van mening is dat op het tijdstip waarop het verzoek of het bevel wordt gedaan, onderscheidenlijk gegeven, het verdere verblijf van de betrokken persoon op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden de openbare orde of veiligheid daadwerkelijk in gevaar brengt.

Rechtspraak bij dit artikel