Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Beslechting van geschillen

Onderdeel van Verdrag van Tampere inzake de levering van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties· Informatierecht

Deze tekst geldt sinds 8 januari 2005

1. In geval van een geschil tussen de Staten die Partij zijn betreffende de uitleg of de toepassing van dit Verdrag, plegen de Staten die Partij zijn die partij zijn bij het geschil onderling overleg teneinde het geschil te beslechten. Dit overleg begint onmiddellijk na de schriftelijke verklaring van een Staat die Partij is aan een andere Staat die Partij is inzake het bestaan van een geschil ingevolge dit Verdrag. De Staat die Partij is die de schriftelijke verklaring betreffende het bestaan van een geschil opstelt, doet onverwijld een afschrift van de verklaring toekomen aan de depositaris. 2. Indien een geschil tussen twee Staten die Partij zijn niet kan worden beslecht binnen zes (6) maanden na de datum waarop de schriftelijke verklaring aan een Staat die Partij is en partij is bij het geschil is overhandigd, kunnen de Staten die Partij zijn en partij zijn bij het geschil verzoeken om de goede diensten van elke andere Staat die Partij is, elke Staat, elk orgaan anders dan een Staat of elke intergouvernementele organisatie teneinde de beslechting van het geschil te vergemakkelijken. 3. Indien geen van de Staten die Partij zijn verzoekt om de goede diensten van een andere Staat die Partij is, een Staat, een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie, of indien de verlening van de goede diensten niet binnen zes (6) maanden na indiening van het verzoek om de goede diensten leidt tot vergemakkelijking van de beslechting van een geschil, kan elk der Staten die Partij zijn en partij zijn bij het geschil: verzoeken om onderwerping van het geschil aan bindende arbitrage; of het geschil ter beslissing voorleggen aan het Internationale Gerechtshof, mits beide Staten die Partij zijn en partij zijn bij het geschil op het tijdstip van ondertekening of bekrachtiging van, of toetreding tot, dit Verdrag, of op enig tijdstip daarna, hebben ingestemd met de bevoegdheid van het Internationale Gerechtshof ten aanzien van dergelijke geschillen. 4. Ingeval de respectieve Staten die Partij zijn en partij zijn bij het geschil verzoeken om onderwerping van het geschil aan bindende arbitrage, en het geschil ter beslissing voorleggen aan het Internationale Gerechtshof, heeft voorlegging aan het Internationale Gerechtshof voorrang. 5. In geval van een geschil betreffende de verlening van bijstand op het gebied van telecommunicatie ingevolge artikel 4, dat rijst tussen een Staat die Partij is die verzoekt om bijstand op het gebied van telecommunicatie en een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie waarvan de zetel of de vestiging is gelegen buiten het grondgebied van de desbetreffende Staat die Partij is, kan de vordering van het orgaan anders dan een Staat of de intergouvernementele organisatie rechtstreeks worden gesteund door de Staat die Partij is waarin de zetel of de vestiging van het orgaan anders dan een Staat of de intergouvernementele organisatie is gelegen, als zijnde een vordering van een Staat tegen een Staat ingevolge dit artikel, mits die steun niet onverenigbaar is met enige andere overeenkomst tussen de Staat die Partij is en het orgaan anders dan een Staat of de intergouvernementele organisatie die zijn betrokken bij het geschil. 6. Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van, of toetreding tot, dit Verdrag kan een Staat verklaren zich niet gebonden te achten aan één of beide procedures voor beslechting van geschillen, als bedoeld in het derde lid. De andere Staten die Partij zijn zijn niet gebonden aan een procedure voor beslechting van geschillen, als bedoeld in het derde lid, ten opzichte van een Staat die Partij is waarvoor een dergelijke verklaring geldt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel