Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Het verlenen van bijstand op het gebied van telecommunicatie

Onderdeel van Verdrag van Tampere inzake de levering van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties· Informatierecht

Deze tekst geldt sinds 8 januari 2005

1. Een Staat die Partij is die bijstand op het gebied van telecommunicatie voor rampenmitigatie en noodhulp behoeft, kan elk van de Staten die Partij zijn daarom verzoeken, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de uitvoerende coördinator. Indien het verzoek wordt gedaan door tussenkomst van de uitvoerende coördinator, verspreidt de uitvoerende coördinator deze informatie onmiddellijk onder alle andere betrokken Staten die Partij zijn. Indien het verzoek rechtstreeks aan een andere Staat die Partij is wordt gedaan, stelt de verzoekende Staat die Partij is de uitvoerende coördinator zo spoedig mogelijk hiervan in kennis. 2. Een Staat die Partij is die om bijstand op het gebied van telecommunicatie verzoekt, omschrijft de reikwijdte en de aard van de benodigde bijstand en de ingevolge de artikelen 5 en 9 van dit Verdrag genomen maatregelen, en verschaft, indien mogelijk, de Staat die Partij is waaraan het verzoek is gericht en/of de uitvoerende coördinator alle overige informatie die noodzakelijk is om vast te stellen in hoeverre de betreffende Staat aan het verzoek kan voldoen. 3. Elke Staat die Partij is waaraan hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de uitvoerende coördinator een verzoek om bijstand op het gebied van telecommunicatie wordt gericht, besluit onverwijld of hij de bijstand waarom wordt verzocht, hetzij rechtstreeks hetzij anderszins, zal verlenen en bepaalt de reikwijdte en de eventueel aan de bijstand verbonden voorwaarden, beperkingen en kosten, en doet de verzoekende Staat die Partij is daarvan mededeling. 4. Elke Staat die Partij is die besluit bijstand op het gebied van telecommunicatie te verlenen, stelt de uitvoerende coördinator zo spoedig mogelijk hiervan in kennis. 5. Ingevolge dit Verdrag wordt geen bijstand op het gebied van telecommunicatie verleend zonder de instemming van de verzoekende Staat die Partij is. De verzoekende Staat die Partij is behoudt het recht de bijstand op het gebied van telecommunicatie die ingevolge dit Verdrag wordt aangeboden, geheel of gedeeltelijk te weigeren overeenkomstig de bestaande nationale wetgeving en het bestaande nationale beleid van de verzoekende Staat die Partij is. 6. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van verzoekende Staten die Partij zijn, organen anders dan Staten en intergouvernementele organisaties rechtstreeks te verzoeken om bijstand op het gebied van telecommunicatie, alsmede het recht van organen anders dan Staten en intergouvernementele organisaties, overeenkomstig de wetgeving waaraan zij zijn onderworpen, bijstand op het gebied van telecommunicatie te verlenen aan verzoekende Staten die Partij zijn op grond van dit artikel. 7. Een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie kan geen „verzoekende Staat die Partij is" zijn en kan niet verzoeken om bijstand op het gebied van telecommunicatie ingevolge dit Verdrag. 8. Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan het recht van een Staat die Partij is overeenkomstig zijn nationale wetgeving toezicht te houden op de overeenkomstig dit Verdrag op zijn grondgebied verleende bijstand op het gebied van telecommunicatie en deze te leiden, te controleren en te coördineren.

Rechtspraak bij dit artikel