Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Voorrechten, immuniteiten en faciliteiten

Onderdeel van Verdrag van Tampere inzake de levering van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties· Informatierecht

Deze tekst geldt sinds 8 januari 2005

1. De verzoekende Staat die Partij is kent, voor zover zijn nationale wetgeving dat toestaat, aan personen die geen onderdaan van de desbetreffende Staat zijn, en aan organisaties, anders dan die welke hun zetel of hun vestiging op zijn grondgebied hebben, die handelen ingevolge dit Verdrag teneinde bijstand op het gebied van telecommunicatie te verlenen en waarvan mededeling is gedaan aan en die zijn aanvaard door de verzoekende Staat die Partij is, de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten toe welke nodig zijn voor de uitvoering van hun taken, met inbegrip van, doch niet beperkt tot: immuniteit ten aanzien van arrestatie, hechtenis en rechtsvervolging, met inbegrip van strafrechtelijke, civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures van de verzoekende Staat die Partij is ten aanzien van handelingen of het nalaten van handelingen die specifiek en rechtstreeks verband houden met de verlening van bijstand op het gebied van telecommunicatie; vrijstelling van belastingen, rechten en andere heffingen, behalve van die welke gewoonlijk bij de prijs van goederen of diensten zijn inbegrepen, ten aanzien van de uitvoering van hun bijstandstaken of ten aanzien van de apparatuur, de materialen en andere goederen die het grondgebied van de verzoekende Staat die Partij is worden binnengebracht of aldaar worden gekocht teneinde bijstand op het gebied van telecommunicatie ingevolge dit Verdrag te verlenen; en immuniteit ten aanzien van inbeslagneming of vordering van de bedoelde apparatuur, materialen en goederen. 2. De verzoekende Staat die Partij is stelt, voor zover dit in zijn vermogen ligt, plaatselijke faciliteiten en diensten ter beschikking voor het deugdelijke en doelmatige beheer van de bijstand op het gebied van telecommunicatie, met inbegrip van de waarborg dat voor de telecommunicatie-apparatuur die ingevolge dit Verdrag zijn grondgebied wordt binnengebracht met spoed mogelijk een vergunning wordt verleend of van de vergunningsplicht wordt vrijgesteld in overeenstemming met zijn nationale wet- en regelgeving. 3. De verzoekende Staat die Partij is waarborgt de veiligheid van personeel, apparatuur en materialen die ingevolge dit Verdrag zijn grondgebied worden binnengebracht. 4. De eigendom van apparatuur en materialen die ingevolge dit Verdrag zijn geleverd, wordt niet beïnvloed door het gebruik ervan uit hoofde van dit Verdrag. De verzoekende Staat die Partij is waarborgt de onverwijlde teruggave van deze apparatuur, materialen en goederen aan de desbetreffende Staat die Partij is die de bijstand verleent. 5. De verzoekende Staat die Partij is zal geen telecommunicatievoorzieningen die ingevolge dit Verdrag zijn geleverd, inzetten of gebruiken voor doeleinden die niet rechtstreeks verband houden met het voorspellen en volgen van, het reageren op en het zich voorbereiden op rampen, of met het verzachten van de gevolgen van rampen of het bieden van noodhulp tijdens en na rampen. 6. Niets in dit artikel verplicht een verzoekende Staat die Partij is voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan zijn onderdanen, aan personen die in de betreffende verzoekende Staat die Partij is hun vaste verblijfplaats hebben of aan organisaties die op zijn grondgebied hun zetel of hun vestiging hebben. 7. Onverminderd hun voorrechten en immuniteiten in overeenstemming met dit artikel dienen alle personen die binnenkomen op het grondgebied van een Staat die Partij is teneinde bijstand op het gebied van telecommunicatie te verlenen of anderszins het gebruik van telecommunicatievoorzieningen ingevolge dit Verdrag te vergemakkelijken, alsmede alle organisaties die bijstand op het gebied van telecommunicatie verlenen of anderszins het gebruik van telecommunicatievoorzieningen ingevolge dit Verdrag vergemakkelijken, de wet- en regelgeving van de desbetreffende Staat die Partij is in acht te nemen. Deze personen en organisaties dienen zich bovendien niet te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van de Staat die Partij is op het grondgebied waarvan zij zijn binnengekomen. 8. Niets in dit artikel doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen ten aanzien van voorrechten en immuniteiten die zijn toegekend aan personen en organisaties die onmiddellijk of middellijk deelnemen aan bijstand op het gebied van telecommunicatie ingevolge andere internationale verdragen (daaronder begrepen het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties, aangenomen door de Algemene Vergadering op 13 februari 1946, en het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties, aangenomen door de Algemene Vergadering op 21 november 1947) of het internationale recht.

Rechtspraak bij dit artikel