Elke Staat die Partij is treft de nodige maatregelen, eventueel met inbegrip van de benodigde nationale wetgeving, om te verzekeren dat strafbare gedragingen/handelingen die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag onder geen enkele omstandigheid worden gerechtvaardigd door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of andere soortgelijke aard.