Naar hoofdinhoud
1. Functionarissen van de douaneadministratie van een Partij die in hun eigen land een persoon observeren ten aanzien van wie ernstige vermoedens bestaan dat hij betrokken is bij één van de in artikel 18, derde lid, bedoelde inbreuken, zijn bevoegd deze observatie in het douanegebied van de andere Partij voort te zetten, wanneer laatstgenoemde Partij toestemming heeft gegeven voor de grensoverschrijdende observatie op basis van een van te voren ingediend verzoek om bijstand. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. 2. De Partijen delen elkaar de namen mee van de functionarissen die voor de grensoverschrijdende observatie aangewezen zijn. 3. Desgevraagd dient de observatie te worden overgedragen aan de functionarissen van de Partij in het douanegebied waarvan de observatie plaatsvindt. 4. Het verzoek als bedoeld in het eerste lid dient te worden gericht aan de door elk der Partijen daartoe aangewezen autoriteit, die bevoegd is de nodige toestemming te verlenen of het verzoek door te zenden. De Partijen delen elkaar mee welke autoriteit daartoe is aangewezen. 5. Wanneer wegens het bijzonder spoedeisende karakter van het optreden geen voorafgaande toestemming van de andere Partij kan worden gevraagd, zijn de functionarissen bevoegd de observatie van een persoon ten aanzien van wie een ernstig vermoeden van betrokkenheid bij één van de in artikel 18, derde lid, bedoelde inbreuken bestaat, onder de navolgende voorwaarden in het douanegebied van die Partij voort te zetten: de bevoegde autoriteit van de Partij in het douanegebied waarvan de observatie wordt voortgezet, dient nog tijdens de observatie onverwijld van de grensoverschrijding in kennis te worden gesteld; een verzoek als bedoeld in het eerste lid, waarin tevens de redenen zijn aangegeven waarom zonder voorafgaande toestemming tot grensoverschrijding is overgegaan, dient onverwijld ingediend te worden. De observatie wordt afgebroken zodra de Partij in het douanegebied waarvan de observatie plaatsvindt, na ontvangst van de hierboven onder a bedoelde kennisgeving of het onder b bedoelde verzoek zulks te verstaan geeft, of indien de toestemming vijf uren na de grensoverschrijding nog niet is verleend. 6. De observatie als bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid mag slechts onder de volgende algemene voorwaarden worden uitgevoerd: de observerende functionarissen zijn gebonden aan het bepaalde in dit artikel en aan het recht van de Partij in het douanegebied waarvan zij optreden; zij dienen de aanwijzingen van de bevoegde autoriteiten van de genoemde Partij op te volgen; behoudens in de gevallen als bedoeld in het vijfde lid dienen de functionarissen tijdens de observatie te zijn voorzien van een document waaruit blijkt dat de toestemming is verleend; de observerende functionarissen dienen te allen tijde in staat te zijn hun officiële hoedanigheid aan te tonen; de observerende functionarissen mogen tijdens een observatie hun dienstwapen dragen. Het gebruik van dit wapen is verboden, behalve in geval van noodweer; het binnentreden van woningen en het betreden van niet voor het publiek toegankelijke plaatsen is verboden; de observerende functionarissen zijn niet bevoegd de geobserveerde persoon staande te houden of aan te houden; van elk optreden wordt verslag gedaan aan de autoriteiten van de Partij in het douanegebied waarvan de observatie plaatsvindt; de persoonlijke verschijning van de observerende functionarissen kan worden verlangd; de autoriteiten van de Partij waarvan de observerende functionarissen afkomstig zijn, verlenen op verzoek van de autoriteiten van de Partij in het douanegebied waarvan de observatie plaatsvond medewerking aan onderzoek volgend op de operatie waaraan zij hebben deelgenomen, met inbegrip van gerechtelijke procedures.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel