Naar hoofdinhoud
1. Een uit hoofde van dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet vervolgd, in hechtenis genomen, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat wegens een ander feit dan dat ter zake waarvan uitlevering is toegestaan, tenzij: die persoon het grondgebied van de verzoekende Staat na uitlevering heeft verlaten en vrijwillig daarheen is teruggekeerd; die persoon het grondgebied van de verzoekende Staat niet heeft verlaten binnen dertig (30) dagen na daartoe de vrijheid te hebben gehad; of de aangezochte Staat daarmee heeft ingestemd. Hiertoe kan de aangezochte Staat de overlegging verlangen van de in artikel 6 genoemde stukken of verklaringen, met inbegrip van de door de uitgeleverde persoon afgelegde verklaringen met betrekking tot het desbetreffende feit. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op na de uitlevering begane feiten. 3. Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon is uitgeleverd op een later tijdstip wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of veroordeeld, mits het delict in zijn nieuwe omschrijving: in wezen is gebaseerd op dezelfde feiten als zijn vervat in het verzoek om uitlevering en in de stukken ter ondersteuning daarvan; en met dezelfde maximumstraf is bedreigd als, of met een lagere maximumstraf dan, het feit waarvoor de persoon werd uitgeleverd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel