Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Facultatieve weigering van uitlevering

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Trinidad en Tobago inzake uitlevering· Strafrecht

Uitlevering kan worden geweigerd: indien de opgeëiste persoon in de aangezochte Staat wordt vervolgd wegens het strafbare feit ter zake waarvan om uitlevering wordt verzocht of indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat hebben besloten, in overeenstemming met het recht van die Staat, dat feit niet te vervolgen of de ingestelde vervolging te staken; indien de opgeëiste persoon in een derde staat onherroepelijk is veroordeeld, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, wegens een gedraging die hetzelfde strafbare feit oplevert als dat terzake waarvan om uitlevering wordt verzocht en, in geval van veroordeling, het vonnis volledig ten uitvoer is gelegd of niet meer vatbaar is voor tenuitvoerlegging; indien op het strafbare feit waarvoor om uitlevering wordt verzocht naar het recht van de verzoekende Staat de doodstraf is gesteld en het recht van de aangezochte Staat voor dat feit niet een zodanige straf toestaat, tenzij de verzoekende Staat naar het oordeel van de aangezochte Staat voldoende waarborgen biedt dat de doodstraf niet wordt opgelegd, of, indien opgelegd, niet ten uitvoer zal worden gelegd; indien, naar het oordeel van de aangezochte Staat, het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is gepleegd en het recht van de aangezochte Staat in vergelijkbare omstandigheden niet in dezelfde rechtsmacht voorziet; of indien de aangezochte Staat, de aard van het strafbare feit en het belang van de verzoekende Staat in aanmerking nemend, van oordeel is dat de uitlevering van de opgeëiste persoon onverenigbaar is met humanitaire overwegingen, in het bijzonder gelet op de leeftijd of de gezondheid van die persoon.

Rechtspraak bij dit artikel