Naar hoofdinhoud
1. De Staten houden ten volle rekening met de bijzondere omstandigheden van de Ontwikkelingslanden wat betreft de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden en de ontwikkeling van de visserij op die bestanden. Daartoe verlenen de Staten bijstand aan de Ontwikkelingslanden hetzij rechtstreeks, hetzij via het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP), de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties en andere speciale bureaus, de Mondiale Milieufaciliteit (GEF), de Commissie Duurzame Ontwikkeling, en andere internationale en regionale organisaties en lichamen. 2. Bij het nakomen van hun plicht tot samenwerking voor het vaststellen van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden houden de Staten rekening met de bijzondere omstandigheden van Ontwikkelingslanden, en met name met de kwetsbaarheid van de Ontwikkelingslanden die afhankelijk zijn van de exploitatie van de levende rijkdommen van de zee, ook voor de voedselvoorziening van hun bevolking of een gedeelte daarvan, de noodzaak om negatieve effecten te voorkomen voor de visserij door zelfvoorzieningsvissers, kleinschalige en ambachtelijke vissers, vrouwen in de visserijsector en de inheemse bevolking in de Ontwikkelingslanden, en om al deze betrokkenen in die landen toegang tot de visserij te waarborgen, een en ander met name voor kleine eilanden die Ontwikkelingslanden zijn, en de noodzaak om ervoor te zorgen dat deze maatregelen er niet toe leiden dat, direct of indirect, de lasten van de instandhoudingsmaatregelen onevenredig voor rekening komen van de Ontwikkelingslanden.

Rechtspraak bij dit artikel