Naar hoofdinhoud
1. Een Havenstaat heeft het recht en de plicht om, overeenkomstig het internationale recht, maatregelen te nemen om de efficiëncy te bevorderen van instandhoudings- en beheersmaatregelen die in subregional, regionaal of mondiaal verband zijn vastgesteld. Daarbij maakt de Havenstaat noch naar de vorm, noch in feite onderscheid ten aanzien van de vaartuigen van welke Staat ook. 2. Een Havenstaat mag onder andere documenten, vistuig en vangst aan boord van vissersvaartuigen inspecteren, wanneer die vaartuigen zich vrijwillig in zijn havens of bij offshore terminals bevinden. 3. De Staten mogen reglementen vaststellen op grond waarvan de bevoegde nationale autoriteiten aanvoer en overlading mogen verbieden, wanneer vaststaat dat de vangst is behaald op een wijze die de efficiëncy aantast van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de volle zee die in subregionaal, regionaal of mondiaal verband zijn vastgesteld. 4. Dit artikel laat onverlet de overeenkomstig het internationale recht geldende soevereiniteit van de Staten over de havens op hun grondgebied.

Rechtspraak bij dit artikel