Naar hoofdinhoud
1. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen staat op verzoek van de andere de doorgeleiding toe over haar grondgebied van onderdanen van een derde Staat waartegen door de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij een besluit tot verwijdering of weigering van binnenkomst op haar grondgebied is genomen op voorwaarde dat de doorgeleiding langs eventuele derde Staten en de overname door de aangezochte Staat van bestemming verzekerd zijn. De doorreis geschiedt met elk vervoermiddel. 2. De verzoekende Overeenkomstsluitende Partij is volledig verantwoordelijk voor het verloop van de verdere reis van de onderdaan van een derde Staat naar zijn Staat van bestemming en neemt deze persoon opnieuw over indien een reden als bedoeld in het vierde lid, van dit artikel, zich voordoet of naderhand ontdekt wordt waardoor de doorgeleiding verhinderd wordt, of de rest van de doorgeleiding of de overname door de aangezochte Staat van bestemming niet meer verzekerd zijn, of om enigerlei andere reden het besluit tot verwijdering of weigering van binnenkomst op haar grondgebied niet kan worden uitgevoerd. 3. De Overeenkomstsluitende Partij die het besluit tot verwijdering of weigering van binnenkomst op haar grondgebied genomen heeft, moet de voor doorgeleiding aangezochte Overeenkomstsluitende Partij mededelen of de persoon tegen wie dit besluit is genomen dient te worden geëscorteerd. De voor doorgeleiding aangezochte Overeenkomstsluitende Partij kan: ofwel beslissen zelf voor begeleiding te zorgen, waarbij de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij zich tot de vergoeding van de hieruit voortvloeiende kosten verbindt; ofwel beslissen in samenwerking met de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij voor begeleiding te zorgen; ofwel de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij toestemming geven zelf voor begeleiding over haar grondgebied te zorgen. In de twee laatstgenoemde gevallen staat de begeleiding door de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij onder het gezag van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij. 4. De doorgeleiding voor verwijdering of de doorgeleiding ingevolge een weigering van binnenkomst op het grondgebied kan onder andere worden geweigerd: indien de onderdaan van een derde Staat in één van de Staten van doorreis of in de Staat van bestemming dreigt te worden vervolgd op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde maatschappelijke groepering of politieke overtuiging; indien de onderdaan van een derde Staat voor de strafrechter in de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij, een mogelijke derde Staat van doorreis of de Staat van bestemming dreigt te worden beschuldigd of veroordeeld voor aan de doorreis voorafgaande feiten. De Overeenkomstsluitende Partijen stellen alles in het werk om de doorgeleiding te beperken tot onderdanen van een derde Staat die niet rechtstreeks aan de Staat van bestemming kunnen worden overgedragen.

Rechtspraak bij dit artikel