Naar hoofdinhoud

TITEL II

Artikel 9

Artikel 9

Onderdeel van Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2005

1. De Partijen verplichten zich ertoe te erkennen dat het recht op vrijheid van meningsuiting van iedere persoon die tot een nationale minderheid behoort, mede omvat de vrijheid een mening te koesteren en informatie en denkbeelden in de minderheidstaal te ontvangen en te verstrekken zonder inmenging van de overheid en ongeacht grenzen. De Partijen dragen er zorg voor, binnen het kader van hun rechtsstelsel, dat personen die tot een nationale minderheid behoren niet worden gediscrimineerd bij hun toegang tot de media. 2. Het eerste lid belet de Partijen niet om radio- en televisie-omroep- of bioscoopondernemingen zonder discriminatie en op basis van objectieve criteria aan een vergunningenstelsel te onderwerpen. 3. De Partijen belemmeren niet de oprichting en het gebruik van gedrukte media door personen die tot nationale minderheden behoren. In het wettelijk kader van de radio- en televisie-omroep dragen zij, voor zover mogelijk en met inachtneming van de bepalingen van het eerste lid, er zorg voor dat personen die tot nationale minderheden behoren de mogelijkheid wordt geboden om hun eigen media op te richten en te gebruiken. 4. In het kader van hun rechtsstelsel nemen de Partijen passende maatregelen om de toegang tot de media voor personen die tot nationale minderheden behoren, te vergemakkelijken en om verdraagzaamheid te bevorderen en cultureel pluralisme mogelijk te maken.

Rechtspraak bij dit artikel