Naar hoofdinhoud
1. In de geest van het Europese Energiehandvest en de Verklaringen van de in april 1993 in Luzern en de in oktober 1995 in Sofia gehouden conferenties, en rekening houdend met het Energiehandvestverdrag, en met name met artikel 19 daarvan, met het Protocol bij het Energiehandvestverdrag betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten, ontwikkelen en versterken de partijen hun samenwerking op het gebied van het milieu en de volksgezondheid. 2. De samenwerking is gericht op milieubescherming en de bestrijding van iedere vorm van vervuiling, en is met name gericht op: daadwerkelijke controle van de verontreinigingsniveaus en beoordeling van het milieu; een informatiesysteem met betrekking tot de milieutoestand; bestrijding van lokale, regionale en grensoverschrijdende lucht- en waterverontreiniging; ecologisch herstel; duurzame, doeltreffende en uit milieuoogpunt doelmatige energieproductie en -gebruik; de veiligheid van industriële installaties; classificatie en veilige behandeling van chemische producten; de waterkwaliteit; beperking, recycling en veilige verwijdering van afval; de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Bazel, wanneer dat is ondertekend; milieueffecten van de landbouw; bodemerosie; chemische verontreiniging; bescherming van de bossen; instandhouding van de biodiversiteit, beschermde gebieden en duurzaam gebruik en beheer van biologische rijkdommen; planning van het landgebruik, met inbegrip van nieuwbouwplanning en stadsplanning; toepassing van economische en fiscale instrumenten; klimaatsveranderingen op wereldschaal; milieueducatie en -bewustmaking; tenuitvoerlegging van het Verdrag van Espoo inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, wanneer dat is ondertekend. 3. De samenwerking vindt met name plaats via: de opstelling van plannen voor rampen en andere noodsituaties; de uitwisseling van informatie en deskundigen, onder meer op het gebied van de overdracht van schone technologieën en het veilige en uit milieu-oogpunt verantwoorde gebruik van biotechnologieën; gezamenlijke onderzoeksactiviteiten; de aanpassing van wetgeving aan communautaire normen; samenwerking in regionaal verband, met inbegrip van samenwerking in het kader van het Europees Milieuagentschap en op internationaal niveau; het uitwerken van strategieën, vooral in verband met wereldomvattende en klimatologische kwesties en tevens met het oog op de totstandbrenging van duurzame ontwikkeling; milieueffectstudies. 4. De partijen streven naar het uitbouwen van hun samenwerking op het gebied van volksgezondheid, in het bijzonder door middel van technische bijstand bij het voorkomen en bestrijden van besmettelijke ziekten en de bescherming van moeders en jonge kinderen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel