Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK IV

Artikel 6

Groepslidmaatschap

Onderdeel van Internationale Koffieovereenkomst 2001· Agrarisch recht

Deze tekst geldt sinds 25 mei 2007

1. Twee of meer overeenkomstsluitende partijen die netto-exporteurs van koffie zijn, kunnen door middel van een daartoe strekkende kennisgeving aan de Raad en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties bij de nederlegging van hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring, voorlopige toepassing of toetreding verklaren dat zij als ledengroep van de organisatie deel uitmaken. Een gebied waartoe deze overeenkomst zich op grond van artikel 48, lid 1, uitstrekt, kan in een dergelijke ledengroep worden opgenomen, indien de regering van de staat die voor de internationale betrekkingen van dat gebied verantwoordelijk is, daarvan overeenkomstig artikel 48, lid 2, kennisgeving heeft gedaan. Dergelijke overeenkomstsluitende partijen en aangewezen gebieden moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: zij moeten verklaren bereid te zijn verantwoordelijkheid te aanvaarden voor groepsverplichtingen, afzonderlijk en als lid van de groep; zij moeten voorts ten genoegen van de Raad aantonen dat: de groep over de organisatie beschikt die voor de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk koffiebeleid vereist is, en dat zij over de middelen beschikken om tezamen met de andere leden van de groep hun verplichtingen in het kader van deze overeenkomst na te komen; zij een gemeenschappelijk of gecoördineerd commercieel en economisch beleid voor koffie en een gecoördineerd monetair en financieel beleid voeren, alsmede over de voor de tenuitvoerlegging daarvan nodige organen beschikken, zodat het voor de Raad vaststaat dat de ledengroep in staat is de aan het groepslidmaatschap verbonden verplichtingen na te komen. 2. Alle in het kader van de Koffieovereenkomst van 1994 erkende ledengroepen blijven als groep erkend, tenzij zij aan de Raad de wens te kennen geven niet langer als zodanig te worden erkend. 3. De ledengroep wordt als één lid van de organisatie beschouwd, met dien verstande dat elk lid van de groep als een afzonderlijk lid wordt behandeld voor de aangelegenheden bedoeld in onderstaande bepalingen: de artikelen 11 en 12; artikel 51. 4. De overeenkomstsluitende partijen en aangewezen gebieden die als ledengroep toetreden, bepalen welke regering of organisatie hen in de Raad vertegenwoordigt voor andere met deze overeenkomst verband houdende aangelegenheden dan die waarop in lid 3 wordt gedoeld. 5. Het stemrecht van de ledengroep is als volgt geregeld: de ledengroep heeft hetzelfde aantal vaste stemmen als een land dat als afzonderlijk lid tot de Organisatie toetreedt; deze vaste stemmen worden toegewezen aan en uitgebracht door de regering of de organisatie die de groep vertegenwoordigt; indien wordt gestemd over aangelegenheden bedoeld in de bepalingen genoemd in lid 3, kunnen de leden de hun op grond van artikel 13, lid 3, toegewezen stemmen afzonderlijk uitbrengen alsof zij elk afzonderlijk lid van de Organisatie waren, met uitzondering van de vaste stemmen, die uitsluitend kunnen worden toegewezen aan de regering of de organisatie die de groep vertegenwoordigt. 6. Overeenkomstsluitende partijen of aangewezen gebieden die deel uitmaken van een ledengroep kunnen zich door kennisgeving aan de Raad uit die groep terugtrekken en afzonderlijk lid worden. Deze terugtrekking wordt van kracht na ontvangst van de kennisgeving door de Raad. Indien een lid van een ledengroep zich uit de groep terugtrekt of ophoudt deel uit te maken van de Organisatie, kunnen de overblijvende leden van de groep de Raad om instandhouding van de groep verzoeken; de groep blijft bestaan, tenzij de Raad het verzoek afwijst. Indien de ledengroep wordt ontbonden, wordt elk voormalig lid van de groep afzonderlijk lid. Een lid dat heeft opgehouden lid van een groep te zijn, mag zolang deze overeenkomst van kracht blijft, niet opnieuw lid van een groep worden. 7. Een overeenkomstsluitende partij die, nadat deze overeenkomst in werking is getreden, tot een ledengroep wenst toe te treden, kan zulks doen door kennisgeving aan de Raad, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: de andere leden van de groep verklaren zich bereid het betrokken lid als groepslid te aanvaarden; de overeenkomstsluitende partij deelt aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties mede dat zij van de groep deel uitmaakt. 8. Twee of meer exporterende leden kunnen te allen tijde na de inwerkingtreding van deze overeenkomst de Raad verzoeken om toestemming om een ledengroep te vormen. De Raad willigt dit verzoek in wanneer hij vaststelt dat de leden een verklaring hebben afgelegd en voldoende bewijsmateriaal hebben geleverd overeenkomstig lid 1. Na de inwilliging van het verzoek is voor de ledengroep het bepaalde in de leden 3, 4, 5 en 6 van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel