Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 2

Artikel 2

Onderdeel van Overeenkomst betreffende zeelieden-vluchtelingen· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 27 december 1961

Een zeeman-vluchteling die niet rechtmatig verblijft op het grondgebied van enige Staat en die geen recht heeft op toelating tot zodanig verblijf op het grondgebied van enige Staat - daaronder niet begrepen een Staat waar hij gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging - wordt geacht voor de toepassing van artikel 28 van het Verdrag rechtmatig te verblijven op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij onder wier vlag hij, terwijl hij vluchteling was, als zeeman heeft gediend gedurende in totaal 600 dagen binnen de drie jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop deze Overeenkomst op hem wordt toegepast, op schepen die ten minste twee maal per jaar havens van dat grondgebied aandoen, met dien verstande dat voor de toepassing van dit lid geen rekening zal worden gehouden met diensten verricht terwijl dan wel voordat hij gevestigd was op het grondgebied van een andere Staat; of, indien er geen zodanige Overeenkomstsluitende Partij is, van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij, terwijl hij vluchteling was, laatstelijk rechtmatig was gevestigd in de loop van de drie jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop deze Overeenkomst op hem wordt toegepast, mits hij in de tussentijd niet gevestigd is geweest op het grondgebied van een andere Staat.

Rechtspraak bij dit artikel