Een zeeman-vluchteling die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst
niet rechtmatig verblijft op het grondgebied van enige Staat en geen recht heeft op toelating tot zodanig verblijf op het grondgebied van enige Staat - daaronder niet begrepen een Staat waar hij gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging - en
niet, overeenkomstig artikel 2 van deze Overeenkomst, wordt geacht rechtmatig te verblijven op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij,
wordt geacht voor de toepassing van artikel 28 van het Verdrag rechtmatig te verblijven op het grondgebied
van de Overeenkomstsluitende Partij welke, na 31 december 1945 en vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, te zijnen behoeve, terwijl hij vluchteling was, laatstelijk een voor terugkeer naar dat gebied geldig reisdocument heeft verstrekt, verlengd of vernieuwd, ongeacht de vraag of dat document nog geldig is of niet;
of, indien er geen zodanige Overeenkomstsluitende Partij is,
van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij, terwijl hij vluchteling was, na 31 december 1945 en vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst laatstelijk rechtmatig verbleef,
of, indien er geen zodanige Overeenkomstsluitende Partij is,
van de Overeenkomstsluitende Partij onder wier vlag hij, terwijl hij vluchteling was, het laatst als zeeman heeft gediend gedurende in totaal 600 dagen binnen een periode van drie jaren na 31 december 1945 en vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst op schepen die ten minste twee maal per jaar havens van dat grondgebied aandoen.
HOOFDSTUK II
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Overeenkomst betreffende zeelieden-vluchtelingen· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 27 december 1961