**1.** De gezamenlijke personencontrole wordt op zodanige wijze uitgeoefend dat eerst door de grensbewakingsambtenaar van de gaststaat wordt gecontroleerd en vervolgens door de grensbewakingsambtenaar van de zendstaat.
**2.** De gezamenlijke personencontrole behelst, naast de controle op de aanwezigheid en de geldigheid van de grensoverschrijdingsdocumenten en de toetsing of aan de andere voorwaarden voor binnenkomst, verblijf, het verrichten van arbeid en uitreis is voldaan, tevens onderzoek naar gevaar voor de openbare orde en de nationale veiligheid van de Verdragsluitende Partijen; deze controles kunnen ook betrekking hebben op de in het bezit van de grenspassanten zijnde voorwerpen; zij worden door de grensbewakingsambtenaren van beide Verdragsluitende Partijen verricht overeenkomstig hun eigen nationale wetgeving, in het bijzonder wat betreft de veiligheidsfouillering.
**3.** Bij een gezamenlijke personencontrole dienen alle personen tenminste een zodanige controle te ondergaan, dat aan de hand van de overgelegde of getoonde grensdocumenten hun identiteit kan worden vastgesteld. Indien uit de controle door de grensbewakingsambtenaar van de gaststaat blijkt, dat de grenspassant geen vreemdeling in de zin van dit Verdrag is, blijft de controle door de grensbewakingsambtenaar van de zendstaat achterwege.
**4.** Bij een gezamenlijke personencontrole dienen vreemdelingen een grondige controle als bedoeld in het tweede lid te ondergaan.
**5.** Tijdens een gezamenlijke personencontrole plegen de dienstdoende grensbewakingsambtenaren van de Verdragsluitende Partijen onderling overleg over de toelating van de vreemdeling. De beslissing tot weigering van toelating berust bij de grensbewakingsambtenaar van de gaststaat en wordt ook door die grensbewakingsambtenaar aan de vreemdeling meegedeeld.
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek inzake personencontrole op de luchthavens op Sint Maarten· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2007