Naar hoofdinhoud
1. De in artikel 3 omschreven regeling dient te worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van elke Verdragsluitende Partij en verzoeken hiertoe dienen vooraf te worden ingediend in overeenstemming met de in dit artikel vastgelegde procedure. 2. Verzoeken dienen te worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij uit wier wetgeving de voorraadverplichting voortvloeit uiterlijk 15 (vijftien) werkdagen voor aanvang van de periode waarvoor om goedkeuring wordt verzocht en dient de volgende informatie te bevatten: haar naam en adres en de naam en het adres van de onderneming die gevestigd is in de Staat waar de voorraden zullen worden aangehouden, en die namens haar de voorraden zal aanhouden; de categorie en hoeveelheid van de voorraden; de termijn gedurende welke de voorraden zullen worden aangehouden; de locatie, indien bekend, van de opslagruimte(n) waar de voorraden zullen worden aangehouden. 3. Wanneer het verzoek wordt goedgekeurd door de bevoegde auto-riteit van de Verdragsluitende Partij uit wier wetgeving de voorraadverplichting voortvloeit („de eerste bevoegde autoriteit’’), zendt deze autoriteit uiterlijk 10 (tien) werkdagen voor aanvang van de periode waarvoor om goedkeuring wordt verzocht de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Partij („de tweede bevoegde autoriteit’’) de in het tweede lid van dit artikel genoemde informatie en stelt deze op de hoogte van de goedkeuring. 4. De tweede bevoegde autoriteit zal, uiterlijk 5 (vijf) werkdagen voor aanvang van de periode waarvoor om goedkeuring wordt verzocht, binnen de grenzen van het redelijke alles in het werk stellen om de eerste bevoegde autoriteit ervan in kennis te stellen of zij het verzoek al dan niet goedkeurt. In het geval dat de eerste bevoegde autoriteit voor de datum van aanvang van een dergelijke periode geen kennisgeving heeft ontvangen, wordt de tweede bevoegde autoriteit geacht het desbetreffende verzoek niet te hebben goedgekeurd. 5. Onverminderd de in artikel 5, tweede, derde en vierde lid, vermelde termijnen, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien nodig, overeenkomen een of alle termijnen te wijzigen. 6. Indien er een wezenlijke verandering is opgetreden in zaken met betrekking waartoe informatie is verstrekt in overeenstemming met het tweede lid van dit artikel, dient de aanvrager een aanvullend verzoek in te dienen. 7. Aanvaarding van een verzoek kan door elk van beide bevoegde autoriteiten worden ingetrokken indien er een wezenlijke onjuistheid wordt geconstateerd in de gegevens die met betrekking tot die aanvaarding zijn verstrekt uit hoofde van het tweede lid van dit artikel. Alvorens een aanvaarding in te trekken uit hoofde van deze bepaling stelt de betrokken bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Partij hiervan in kennis en biedt zij de onderneming met de voorraadverplichting die de gegevens heeft verstrekt in redelijke mate de gelegenheid bezwaar te maken. 8. Beide betrokken ondernemingen stemmen ermee in de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van enige informatie verkregen ten behoeve van de implementatie van dit Verdrag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel