Naar hoofdinhoud
1. Wanneer een onderneming om toestemming verzoekt in het kader van dit Verdrag voorraden aan te houden in omstandigheden waarin zij niet de eigenaar van deze voorraden zal zijn, geeft geen van beide bevoegde autoriteiten toestemming voor het aanhouden van de desbetreffende voorraden in het kader van dit Verdrag tenzij: de onderneming die de voorraden namens de aanvrager aanhoudt een onderneming is die valt onder de rechtsmacht van de Verdrag-sluitende Partij op het grondgebied waarvan de voorraden worden aangehouden voorzover het de wettelijke bevoegdheid van die Verdragsluitende Partij om het bestaan van die voorraden te controleren en te verifiëren betreft; de voorraden zullen worden aangehouden uit hoofde van een schriftelijke overeenkomst tussen de persoon met de voorraadverplichting en de persoon die namens hem de voorraden aanhoudt („de overeenkomst’’) die van kracht blijft gedurende de periode waarvoor om toestemming is verzocht; de onderneming contractueel het recht heeft deze voorraden gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te verwerven en de wijze waarop de prijs van een dergelijke aankoop wordt bepaald, in de overeenkomst is vastgelegd; en de feitelijke beschikbaarheid van de voorraden voor de onderneming gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst gewaarborgd is. 2. Beide ondernemingen stemmen ermee in de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van enige informatie verkregen ten behoeve van de implementatie van dit Verdrag.

Rechtspraak bij dit artikel