Naar hoofdinhoud
10.1. Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen krachtens het internationale recht bevestigen de Overeenkomstsluitende Partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een wezenlijk deel van deze Overeenkomst uitmaakt. Zonder hun rechten en verplichtingen krachtens het internationale recht in het algemeen te beperken, handelen de Overeenkomstsluitende Partijen in het bijzonder in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen, begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te 's-Gravenhage op 16 december 1970, en het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen, gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971. 10.2. De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige hulp ter voorkoming van gevallen van kaping van civiele luchtvaartuigen en van andere wederrechtelijke gedragingen, gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en de bemanning daarvan, luchthavens en voorzieningen voor de luchtnavigatie, alsmede van elke andere bedreiging van de veiligheid van de burgerluchtvaart. 10.3. De Partijen handelen, in hun wederzijdse betrekkingen, in overeenstemming met de bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart, vastgesteld door de Organisatie voor de internationale burgerluchtvaart en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, voor zover deze veiligheidsbepalingen van toepassing zijn op de Partijen; zij dienen te verlangen dat de exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land zijn geregistreerd, of de exploitanten die hun hoofdzetel of hun domicilie op hun grondgebied hebben, en de exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart. 10.4. Elke Overeenkomstsluitende Partij stemt ermede in dat deze exploitanten van luchtvaartuigen de bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart, zoals bedoeld in het derde lid en vereist door de andere Overeenkomstsluitende Partij, in acht dienen te nemen vóór de binnenkomst op, bij het verlaten van of gedurende het verblijf binnen het grondgebied van deze andere Overeenkomstsluitende Partij. Elke Overeenkomstsluitende Partij zorgt ervoor dat passende maatregelen op doeltreffende wijze binnen haar grondgebied worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en de passagiers, bemanning, handbagage, bagage, vracht en vliegtuigvoorraden aan een onderzoek te onderwerpen vóór en tijdens het aan-boord-gaan of het laden. Elke Overeenkomstsluitende Partij neemt tevens elk verzoek van de andere Overeenkomstsluitende Partij om binnen redelijke grenzen bijzondere beveiligingsmaatregelen te nemen ten einde aan een bijzondere dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging. 10.5. Indien zich een geval van kaping van luchtvaartuigen voordoet of dreigt zich voor te doen, of indien zich andere wederrechtelijke gedragingen, gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens of voorzieningen voor de luchtvaartnavigatie, voordoen, verlenen de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar hulp door het berichtenverkeer te vergemakkelijken en door andere passende maatregelen te nemen die ten doel hebben dit voorval of de dreiging daarvan snel en veilig te beëindigen. 10.6. Indien een Partij moeilijkheden heeft met betrekking tot de bepalingen in dit artikel inzake de beveiliging van de luchtvaart, kunnen de luchtvaartautoriteiten van elke Partij verzoeken om onmiddellijk overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Partij.

Rechtspraak bij dit artikel