Naar hoofdinhoud
1. Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht door middel van een schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg aan de andere Overeenkomstsluitende Partij een luchtvaartmaatschappij aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes. Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht door middel van een schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg de aangewezen luchtvaartmaatschappij door een andere luchtvaartmaatschappij te vervangen. 2. Na ontvangst van een dergelijke kennisgeving verleent elke Overeenkomstsluitende Partij aan de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij, met inachtneming van het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel, de vereiste exploitatievergunningen. 3. De luchtvaartautoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij kunnen eisen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij tot hun genoegen aantoont dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden gesteld bij de wetten en voorschriften die gewoonlijk en redelijkerwijs, in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, door zodanige autoriteiten op de exploitatie van internationale luchtdiensten worden toegepast. 4. Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de exploitatievergunning als bedoeld in het tweede lid van dit artikel te weigeren of deze vergunning te verlenen onder eventueel noodzakelijk geachte voorwaarden ter zake van de uitoefening van de in artikel 2 van deze Overeenkomst omschreven rechten door de aangewezen luchtvaartmaatschappij, indien zij niet de krachtens het derde lid van dit Artikel vereiste bewijzen heeft verkregen of indien niet te haren genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van, en het daadwerkelijk toezicht op dit luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en/of bij haar onderdanen. 5. Wanneer de aangewezen luchtvaartmaatschappij de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning heeft ontvangen, kan deze te allen tijde beginnen met de exploitatie van ongeacht welke overeengekomen dienst, mits de in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9 var deze Overeenkomst vastgestelde tarieven voor deze dienst van kracht zijn. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 zal, wanneer in deze Overeenkomst wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2019/93). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede tot en met vierde lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2019/93). Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 zal, wanneer in deze Overeenkomst wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2019/93). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede tot en met vierde lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2019/93).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel