Naar hoofdinhoud
1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht een exploitatievergunning in te trekken, op te schorten of te beperken, dan wel de uitoefening van de in artikel 2 van deze Overeenkomst omschreven rechten door de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij op te schorten, dan wel een zodanige vergunning te handhaven onder eventueel noodzakelijk geachte voorwaarden: in alle gevallen waarin geen aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en/of bij haar onderdanen; ingeval die luchtvaartmaatschappij in gebreke blijft de wetten en voorschriften na te leven die gewoonlijk en redelijkerwijs op de exploitatie van internationale luchtvaartdiensten worden toegepast en die van kracht zijn op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die deze rechten verleent; of ingeval de luchtvaartmaatschappij anderszins in gebreke blijft de exploitatie te voeren in overeenstemming met de in deze Overeenkomst gestelde voorwaarden. 2. Dit recht wordt slechts uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij onmiddellijke intrekking, opschorting of het opleggen van de in het eerste lid van dit artikel onder b en c genoemde voorwaarden noodzakelijk is om hernieuwde inbreuken op de wetten of voorschriften te voorkomen. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 zal, wanneer in deze Overeenkomst wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2019/93). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede tot en met vierde lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2019/93). Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 zal, wanneer in deze Overeenkomst wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2019/93). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede tot en met vierde lid, van de Overeenkomst van 23 maart 2011 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2019/93).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel