Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Intrekking van vergunning

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Saoedi-Arabië inzake luchtvervoer· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 24 juni 1985

A. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht een exploitatievergunning in te trekken of de uitoefening van de in artikel 2 van deze Overeenkomst omschreven rechten door een luchtvaartmaatschappij die door de andere Overeenkomstsluitende Partij is aangewezen, op te schorten of aan de uitoefening van deze rechten de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden, indien: niet te haren genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het feitelijke toezicht op deze luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen, of bij onderdanen van deze Overeenkomstsluitende Partij; of deze luchtvaartmaatschappij in gebreke blijft de wetten of de voorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij die haar deze rechten heeft verleend, na te leven; of de luchtvaartmaatschappij anderszins in gebreke blijft de exploitatie uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij. B. Het recht tot intrekking of opschorting of tot het stellen van voorwaarden wordt uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij onmiddellijke intrekking of opschorting of het onmiddellijk stellen van voorwaarden noodzakelijk is ter voorkoming van verdere inbreuken op wetten en voorschriften of van verder verzuim in de uitoefening van de exploitatie overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij.

Rechtspraak bij dit artikel