**1.** De in artikel 3 genoemde strafbare feiten worden geacht in elk tussen de Staten-Partijen bestaand uitleveringsverdrag te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Staten-Partijen verplichten zich ertoe bedoelde strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.
**2.** Indien een Staat-Partij welke uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat-Partij waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Staat-Partij, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als de juridische grondslag voor uitlevering wegens de in artikel 3 genoemde strafbare feiten. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat-Partij voorziet.
**3.** Staten-Partijen welke uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag erkennen de in artikel 3 genoemde strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.
**4.** Voor uitlevering tussen Staten-Partijen worden de in artikel 3 genoemde strafbare feiten, indien nodig, beschouwd als begaan niet alleen op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook op een plaats die valt onder de rechtsmacht van de Staat-Partij die om uitlevering verzoekt.
**5.** Een Staat-Partij die meer dan één verzoek om uitlevering ontvangt van Staten die overeenkomstig artikel 6 hun rechtsmacht hebben vastgelegd, en die besluit niet te vervolgen, neemt bij de keuze van de Staat waaraan de dader of de vermoedelijke dader zal worden uitgeleverd, de belangen en verantwoordelijkheden in acht van de Staat-Partij onder de vlag waarvan het schip voert op het tijdstip waarop het strafbare feit werd gepleegd.
**6.** Wanneer de aangezochte Staat een verzoek om uitlevering van een vermoedelijke dader uit hoofde van dit Verdrag in overweging neemt, neemt hij daarbij in acht of deze diens rechten, zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, kan doen gelden in de verzoekende Staat.
**7.** Met betrekking tot de in dit Verdrag omschreven strafbare feiten worden de bepalingen van alle uitleveringsverdragen en regelingen die tussen de Staten-Partijen bestaan in hun onderlinge betrekkingen gewijzigd, voor zover zij niet verenigbaar zijn met dit verdrag.